Het leven is zoveel beter als je maar weinig weet

Jongeren vinden het fijn om zich zonderling, excentriek en alleen te voelen.

Dat wordt nu dus allemaal verpest door internet.

Op mijn zeventiende haalde ik een plaat met pianostukken van John Cage uit de bibliotheek. Het waren boeiende stukken, maar mijn aandacht werd pas echt getrokken door de B-kant van de plaat, met een werk genaamd The Dreamer That Remains, van een componist van wie ik nog nooit had gehoord: Harry Partch. Dit was muziek van een andere planeet: onaards jankende strijkers, metalig getokkel, vloeibaar kabbelend slagwerk. Ik kon de instrumenten niet eens thuisbrengen.

Ik leende de plaat aan een vriend, de enige andere klassieke-muziekliefhebber die ik toen kende. Het refrein van het stuk, waarin een koor van lijken in een uitvaartcentrum zingt: Let us loiter together / And know one another, werd een privégrapje tussen ons tweeën. Nog jarenlang waren wij voor zover we wisten de enigen die van Harry Partch hadden gehoord. Hij was in zekere zin van ons.

Dit was in de jaren tachtig, in een tijd dat er gewoon niet zoveel meer over Harry Partch aan de weet te komen was, tenminste niet dat ik wist. Als ik nu als 17-jarige Harry Partch zou ontdekken, kon ik hem googelen en vond ik meteen het Harry Partch Information Center en zijn ‘online home’ Corporeal Meadows, waar ik alles zou leren over zijn intonatiesysteem met een octaaf van 43 noten en zijn instrumenten gemaakt van bamboe, neuskegels van straalmotoren, hulzen van artilleriegranaten en whiskyflessen, met namen als de Gourd Tree, Boo II, Zymo-Xyl en Marimba Eroica. Ik zou zelfs een opsomming vinden van de zeldzame openbare uitvoeringen van het werk van Partch. En misschien is het belangrijkste nog wel dat ik contact zou kunnen leggen met honderden anderen die belang stelden in Harry Partch, avant-gardemuziek en andere rare toestanden, en me niet zo zonderling en excentriek en alleen zou hoeven voelen.

Wat natuurlijk allemaal goed is. Daar is het internet toch voor? Informatie – zettabytes aan informatie – tot onze onmiddellijke beschikking.

Maar als ik het me goed herinner, vinden jongeren het stiekem juist fijn om zich zonderling en excentriek en alleen te voelen, om popgeheimen te vergaren en een steeds oeniger eruditie te kweken. Ze citeren teksten uit cultfilms als The Rocky Horror Picture Show, Repo Man en Napoleon Dynamite alsof het wachtwoorden tot een clandestiene kroeg zijn, ze dragen buttons met de naam van obscure muziekgroepen alsof ze een verkiezingscampagne voeren en ze zetten hun favoriete films en boeken en bands op hun Facebook-pagina’s alsof deze net zo wezenlijk zijn als hun naam en leeftijd en geslacht.

Dit eigendomsgevoel dat mijn vriend en ik bij Harry Partch hadden, het gevoel dat we tot een exclusieve kennersclub behoorden, is de reden dat tieners er zo van walgen als ieder ander op de wereld hun lievelingsband ontdekt. Het is leuk om ingewijde te zijn, maar zodra iedereen dat is, blijft er niets van over.

Er bestond in die tijd lectuur die alleen maar bedoeld was om je leuke dingen te laten weten waarvan je misschien nog niet had gehoord. Het geliefde blad Famous Monsters of Filmland bestond uit foto’s uit halfvergeten griezelfilms als It! The Terror from Beyond Space en Taste the Blood of Dracula. Het blad leek geschreven, niet alleen voor, maar ook door 10-jarige jongens die de hele nacht waren opgebleven: bezeten, ademloze en scène voor scène volstrekt uitputtende beschrijvingen van de gehele plot van die films.

Toen ik ouder was, verdiepte ik me in een boek genaamd Cult Films, dat de plots beschreef van films als King of Hearts, Harold and Maude en Behind the Green Door.

Dit was niet alleen nog vóór het internet, maar ook nog voor de video. De enige manier waarop je ooit zo’n film te zien kreeg was als hij toevallig ’s avonds laat op tv kwam of in een filmhuis bij je in de buurt draaide, en als je ergens ver weg in Maryland woonde, kon je dat wel vergeten.

Er is een aantal gevierde films dat al lange tijd moeilijk te vinden is op dvd of op het internet: de eerste speelfilm van Stanley Kubrick, Fear and Desire, de Britse absurdistische zwarte komedie The Bed-Sitting Room, Joseph Losey’s Secret Ceremony. Toen ik erachter kwam dat in elk geval die eerste twee weer beschikbaar waren gekomen, was ik bijna teleurgesteld. Het was leuk om ze niet te kunnen zien, om niet één klik van alles maar dan ook alles verwijderd te zijn. Want dat wat we niet kunnen vinden, prikkelt de verbeelding.

Kurt Cobain zei eens in een interview dat hij lang voordat hij echt punkmuziek had gehoord, foto’s van punkmuzikanten in tijdschriften bestudeerde en zich voorstelde hoe die muziek klonk. Ze moet voor hem zo’n beetje hebben geklonken – wie weet? – als dat wat later grunge genoemd zou worden.

De onmiddellijke toegankelijkheid van informatie leidt vreemd genoeg tot teleurstelling, verveling en oneindig verlangen naar meer. Het is me vaak gebeurd dat ik bij lezing van een wetenschappelijk artikel met daarin het vermeende antwoord op een vraag die ik me altijd had gesteld, alweer afgeleid was zodra ik de uitleg begon te lezen.

Niet zo lang geleden constateerde de telescoop Hubble dat het oppervlak van Pluto snel verandert en zichtbaar roder wordt. Het is geen saaie witte ijsbal, maar hij heeft de kleur van roest en roet. We komen vermoedelijk pas weer meer te weten als in 2015 de ruimtesonde New Horizons daar aankomt. Intussen kunnen we ons alleen maar verwonderen.

Ik vind dat mysterieus en aanlokkelijk. Zodra ik mogelijke verklaringen ging lezen – een wisselwerking tussen ultraviolet licht en chemicaliën, blablabla – verloor ik langzaam mijn belangstelling. Alleen al de wetenschap dat er een antwoord is, doet een zekere afbreuk aan het belang. Als een zoöloog eens echt een yeti zou vangen en hem een Latijnse naam zou geven, dan werd het gewoon een dier als ieder ander. Zonder twijfel een intrigerend dier, maar zou dat nu echt buitenissiger of onwaarschijnlijker zijn dan een giraffe of een reuzeninktvis?

Ik hoop dat kinderen ondanks Google en Wikipedia nog altijd een manier vinden om dingen niet te weten. Leren om eenvoudige onwetendheid in mysterie om te zetten en van gewoon iets niet weten tot verwondering te komen, is een nuttige vaardigheid. Want de belangrijkste dingen in dit leven – waarom het heelal bestaat in plaats van niet, wat er met ons gebeurt als we doodgaan, wat de mensen die wij liefhebben echt voor ons voelen – blijken we nooit aan de weet te komen.

Tim Kreider is cartoonist en essayist. © The New York Times

    • Tim Kreider