Een Harvard aan den Rijn zal niet ontstaan

De universiteiten van Leiden, Rotterdam en Delft willen fuseren. Zo veel studenten op één universiteit vormen geen pluspunt – integendeel, schrijft Vincent Icke.

‘Fusie drie universiteiten is belachelijk’, schrijft Ed van den Heuvel op de Opiniepagina van 25 juli. In reactie hierop zou ik het volgende willen zeggen.

Een universiteit staat op drie poten – onderwijs, onderzoek en publiekscontact. Zaagt het samenvoegen van universiteiten aan die poten, of zijn bij schaalvergroting juist grote voordelen te verwachten ?

Om met de derde poot te beginnen: publiekscontact is noodzakelijk. Dit wordt bij voorkeur verzorgd door de wetenschappers zelf, alleen al om de burger te tonen welke mooie waar hij krijgt voor zijn geld. Onderzoekers met goede voorlichtingscapaciteiten zijn schaars. Inkrimpen heeft dus geen zin. Fusie kan winst opleveren, door een bundeling van krachten.

Dan de tweede poot. Op onderzoek is weinig te besparen door een samenvoeging. De specialismen zijn al min of meer bij consensus verdeeld over de universiteiten. Komt het toch tot een fusie, dan is er – afgezien van de pijn door gedwongen verhuizingen – weinig te vrezen. Al bijna veertig jaar geleden zei professor Van Bueren dat Nederland ruimte heeft voor één echte onderzoeksuniversiteit van het kaliber van het California Institute of Technology (Caltech). Ging het dus uitsluitend om het wetenschappelijk onderzoek, dan zouden ook alle Nederlandse universiteiten kunnen fuseren.

Kwantitatief zou zo’n onderzoeksuniversiteit naar verhouding nog royaal zijn, zoals blijkt uit een simpele som. De Verenigde Staten kennen een stuk of zes universiteiten van de categorie van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) en de Stanford-universiteit. Laten we dat grootmoedig verdubbelen, om niets te missen. Gezien de aantallen inwoners hier en ginds betekent één topuniversiteit in Nederland dat wij per hoofd van de bevolking bijna tweemaal zoveel toppers zouden hebben als de VS.

Wel zouden wij armoedzaaiers zijn, zoals Van den Heuvel vaststelt. Waar in de VS het geld vandaan komt, merkte ik ooit door de volgende brief: „Bij deze nodig ik u uit om woensdag aanstaande, te 18:30, aanwezig te zijn bij een diner voor 30 personen in de Faculty Club. Ik verzoek u bij die gelegenheid een vijftiental minuten te willen spreken over recente ontdekkingen en ontwikkelingen op het gebied van de astrofysica. Tenue de ville.”

Dat was een request you cannot refuse, want ondertekend door de vice-chancellor van de Universiteit van Minnesota. Daar was ik destijds junior professor. Dus voorwaarts, mars! Aan vijf tafels zaten, geflankeerd door steeds twee hoogleraren, zo’n twintig extreem rijke burgers. Zij zouden misschien wel enkele van hun talloos veel miljoenen willen schenken aan de universiteit. Bij de cognac kregen ze een cheque-book opportunity.

Zo lukt het in Nederland nooit. In de polder lijken rijke mensen meer op Oom Dagobert dan op Maecenas.

Ondanks mijn rekensom is fusie dwaasheid – niet zozeer om de redenen die Van den Heuvel noemt, hoewel zijn zorgen terecht zijn, maar om twee andere.

Het eerste gevaar zit in de misvatting dat een universiteit kan worden gezien als een commerciële onderneming. Een universiteit kan geen product garanderen. Ze kan geen levertijd afspreken voor een geslaagde student en al helemaal niets beloven over de uitkomst van onderzoek. Maatregelen die aan gangbare bedrijfsvoering zijn ontleend, zijn dus nauwelijks van toepassing. Worden zulke ingrepen toch doorgezet, dan gaat het bijna zeker fout. Bovendien bleken ook bij gewone bedrijven veel overnames, fusies en privatiseringen maatschappelijk rampzalig te zijn.

Over de derde poot van de universiteiten, het wetenschappelijk onderwijs, zegt Van den Heuvel vrijwel niets. Toch schuilt daarin het tweede fatale gevaar. Het meest vreeswekkende getal in zijn opsomming is 55.000. Dat is het gezamenlijke aantal studenten van de Erasmus Universiteit, de Technische Universiteit Delft en de Universiteit Leiden. De schaalvergroting in het onderwijs is juist de grootste publieke fusieramp van de afgelopen decennia. Argumenten over onderzoek hebben hiermee niets te maken. Weinig studenten ambiëren een onderzoeksbaan. Van degenen die dat wel doen, is hooguit een kwart echt geschikt. Uitstraling en motivatie door gedreven en succesvolle onderzoeker-docenten blijven van belang, maar voor de meeste studenten is een universitaire bul toch het resultaat van een beroepsopleiding die uitzicht biedt op een salaris dat aanzienlijk hoger ligt dan dat van een wetenschapper.

Niet het onderzoek, maar het onderwijs zal de zwaarste averij oplopen. Zo veel studenten op één universiteit vormen geen pluspunt, integendeel. Het Inholland-syndroom zal de universiteiten niet bespaard blijven. Ook daar betaalt de overheid per afgestudeerde. De enigen die bij een fusie garen zullen spinnen, zijn nieuwe apparatsjiks, aangevoerd door ‘top’-bestuurders die zo heten vanwege hun exorbitante salaris en niet om hun academische status of prestaties. Binnen tien tot twintig jaar zal blijken dat ook deze mammoet een levend fossiel is. Een Harvard aan den Rijn zullen we dan nog steeds niet hebben. Wel zal de ijzersterke merknaam TU Delft – die zij eigenhandig heeft verdiend en opgebouwd toen ‘TH’ tot ‘TU’ werd – even dood zijn als Organon, Postbank en Hoogovens.

Prof. dr. Vincent Icke is astrofysicus, beeldend kunstenaar en publicist.

    • Vincent Icke