Bloedbad en waarheid

De bomaanslag en moordpartij in Noorwegen heeft allerwegen diepe indruk gemaakt. De rechts-nationalistische anti-moslimpolitici in Europa worden door velen aangewezen als in ieder geval ten dele verantwoordelijk. Met hun oorlogsretoriek zouden ze labiele figuren als Anders Breivik opstoken tot gruweldaden.

Klopt die redenering?

Stel dat alle schuimbekkende islamcritici en schreeuwlelijke sceptici opeens een lieve toon aanslaan. Maar stel ook dat deze uitgesproken lui inhoudelijk precies hetzelfde zouden blijven zeggen. Namelijk dat in de islam een immanent gevaar schuilt voor de toekomst van Europa en het Westen. Zou er dan geen Anders Breivik zijn opgestaan? Zou het bloedblad in Noorwegen dan zijn voorkomen? Ik geloof er niets van. Breivik handelde niet vanwege de toon die iemand als Wilders aanslaat. Hij handelde omdat hij gelooft in de inhoud van de boodschap van de islamcritici.

Moeten we het verkondigen van die inhoud dan maar verbieden? Dat lijkt me erg onverstandig. Want als een staat eenmaal begint met uitspraken te verbieden die mensen voor het hoofd stoten, eindigt het er doorgaans mee dat er niets meer gezegd mag worden. Want er is altijd wel iemand die zich door een uitspraak voor het hoofd gestoten voelt.

God verhoede dat dit ooit gebeurt! Want de vrijheid om te zeggen wat je wilt, ook al stoot het een ander voor het hoofd, is essentieel. Want zonder deze vrijheid geen debat. En zonder debat geen waarheidsvinding.

Waarheid, daar gaat het om. Zoals John Stuart Mill schrijft in On Liberty: niemand heeft de waarheid in pacht. We vinden haar alleen in het debat. Zelfs pertinent onjuiste standpunten zijn belangrijk in dat debat, omdat zij de andere partij dwingen na te denken en haar argumenten te verbeteren en verdiepen.

Geen enkele beperking dan? Moeten we toch niet minder zeggen? Nee en ja.

Het zou goed zijn als we ons weer meer bewust worden van het feit dat niet alles wat juridisch mag, ook moreel goed is. Of zoals de vader van Theo van Gogh ooit zei: je mag het wel zeggen, maar het hoeft niet. Het is beter om het niet te zeggen. Omdat de waarheidsvinding alleen mogelijk is als de sprekers op rustige en vriendelijke wijze met elkaar in debat gaan, bereid zijn om te luisteren naar elkaar en kritisch na te denken over het eigen standpunt. Daar pleit Mill voor. Hij is tegen geschreeuw – niet omdat het tot een bloedbad zou kunnen leiden, maar omdat het zelden of nooit bijdraagt aan het vinden van de waarheid. Laten we Mill maar vaker aanhalen.

Naema Tahir

    • Naema Tahir