Bijna vermoord, maar hij wil niet weg

Ed Gavagan was een willekeurig slachtoffer van een bijna dodelijke steekpartij op Sullivan Street, downtown New York. Toch denkt hij niet aan verhuizen. „Sterven kun je bijna overal, maar deze stad heeft mijn leven gered.”

Ed Gavagan vloog luchtballonnen, bouwde een huis in Afrika en een bar in Parijs. Hij reisde. Tot hij in 1991, 28 jaar oud, neerstreek in New York. Zijn bagage: diploma’s architectuur en filosofie , ervaring als huizenbouwer en meubelmaker en „net genoeg geld om een kleine werkplaats te openen”, dat deed hij in Brooklyn, vlak onder de Manhattan Bridge. Zoals zoveel ambitieuze nieuwe New Yorkers, zou Gavagan het gaan maken.

Zijn eerste daad was het aannemen van timmerlui uit de staat Vermont, vertelt Gavagan in zijn ruime loft in de wijk SoHo, waar hij in ruil voor werkzaamheden voor de huiseigenaar gratis woont. „Het waren mannen met wollen mutsen, met wie ik exclusieve, zelf ontworpen meubels ging maken.” Hij verkocht de meubels een voor een, een jaar lang. Tot hij zich realiseerde dat dit ondernemingsplan hem niet vooruit hielp. „Ik financierde in feite een non-profitorganisatie van ijverige timmerlieden. Al was het wel een mooie tijd.”

New York was gevaarlijk. In 1991 vonden er 2.154 moorden plaats, vorig jaar 464. Maar je had niet veel geld nodig om er te leven. Gavagan woonde in zijn werkplaats in de Brooklynse wijk Dumbo, de afkorting voor Down Under the Manhattan Bridge Overpass. Nu een gewilde buurt, toen nagenoeg verlaten: „Soms zag je midden op straat auto’s uitbranden. Er kraaide niemand naar.”

Zijn avonden bracht Gavagan meestal door in de West Village, waar hij twee favoriete kroegen had: een schemerig drankhol op de hoek van Houston en Sullivan Street en een iets nettere tent op Bleecker Street. Met de eigenaren van beide cafés raakte hij bevriend. Op een avond zei de eigenaar van het drankhol dat hij het niet meer zag zitten: hij kon de huur niet meer betalen. „Ik kreeg een idee. Ik zei tegen hem: als jij het hout betaalt, renoveer ik deze tent zodat we de drank duurder kunnen verkopen. Ik werk drie dagen per week, jij de overige vier. Het wordt prachtig: elk vrijdag- en zaterdagnacht zit het hier vol mooie vrouwen.”

En verdomd, Café Bar, zoals ze het opgekalefaterde café noemden, was vanaf de opening een succes. „Het was zo’n ongrijpbaar New York-verhaal. Zonder er iets voor te doen kregen we veel gratis publiciteit en liep de zaak vol met beroemde uitgaansfiguren uit die dagen, zoals kunstenaar Damien Hirst en kunsthandelaar Larry Gagosian. En in het weekend zaten de mooie vrouwen er.”

Het was 1996, Gavagan was 33 en hij dacht eindelijk de weg naar succes te hebben ingeslagen. Maar met dit eerste succes waren hij en zijn partner nog geen goede horecaondernemers. „Ik had nog nooit een café gerund, en mijn zakenpartner had alleen ervaring met een kleinschalige buurtkroeg. Dus ging ik op een avond langs bij mijn vriend op Bleecker Street. Hij leerde me in enkele uren de beginselen van het runnen van een café. Ik weet nog dat ik na mijn bezoek aan hem dacht: dit is het, ik heb de code van New York gekraakt. Zodra Café Bar nog beter loopt, open ik de volgende bar. Nog even en ik slaap niet meer in mijn werkplaats in Brooklyn.”

Dit euforische gevoel duurde slechts een half uur. Gavagan liep terug naar huis en kwam op Sullivan Street terecht in een inauguratieritueel van de Latin Kings, een bende uit Brooklyn. Aspirant-leden moesten iemand vermoorden om te mogen toetreden. „Vijf jongens die speciaal naar Manhattan waren gekomen om te laten zien dat ze nergens bang voor waren. Ik was helaas net die gast die de straat inliep die ze hadden uitgekozen.”

Aan beide uiteinden van Sullivan Street stond iemand op de uitkijk, vertelt Gavagan, de drie overige jongens liepen op hem af. „Ik stapte opzij om ze te laten passeren, maar ze sprongen bovenop me en begonnen me van achteren, van voren en van opzij te steken – zo vaak als ze konden. Ik zag hoe een mes van 25 centimeter in mijn lijf verdween.”

Gavagan vocht voor z’n leven. Hij verkocht een klap aan de grootste van het drietal – als student was Gavagan lid van het boksteam. „Die jongen ging neer als een zak aardappelen. Maar die ander, met dat grote mes, was nog steeds aan het steken.” Hij begon te schreeuwen. Zijn aanvallers raakten in paniek – vooral ook omdat een van hen knock-out was. Gavagan wist weg te rennen. „Er was wel een probleem. Mijn beide longen waren dichtgeklapt en een van mijn slagaders was doorgesneden. Bij het restaurant Arturo’s op Houston Street zakte ik door mijn knieën en begon te kruipen.”

Daar lag hij, op de stoep. Het bloed begon zijn longen te vullen, vertelt hij, en zijn gezichtsvermogen verzwakte. „Ik dacht: niemand kan me nog helpen, ik ga eraan.” Tot er een vuilniswagen stopte. Een van de vuilnismannen liep op Gavagan af. „Hij pakte me op aan mijn shirt en begon te roepen: Don’t you fucking die on me! Dat deed zoveel pijn dat ik weer enigszins bij bewustzijn kwam. Toen hij me losliet, arriveerde de ambulance.”

De operatie duurde tien uur, maar Gavagan was tot ieders verbazing nog in leven. „Ik had organen verloren waarvan ik niet eens wist dat ik ze had. Later vertelde de chirurg me dat hij me een overlevingskans van 3 procent had gegeven.”

Gavagans lijdensweg was nog lang niet voorbij. Toen hij werd ontslagen uit het ziekenhuis kwam hij terecht in wat hij noemt „een speciaal programma voor mensen zonder ziektekostenverzekering”: hij werd zonder enige verdere medische zorg naar huis gestuurd. ’s Nachts hielden of de pijn of de nachtmerries hem wakker. Hij werd depressief. Zijn vriendin verliet hem. Omdat hij niet kon werken, kon hij zijn rekeningen niet meer betalen. Zijn partner in Café Bar beriep zich op een clausule in het contract: zolang Gavagan niet zijn drie dagen per week werkte, zou hij niet meedelen in de winst. Maandenlang leefde hij op zijn creditcard. Hij werd uit zijn werkplaats in Brooklyn gezet, maar niet voordat de huisbaas zijn gereedschap verkocht. „Alles aan mijn leven was slecht, toch ging ik zingend over straat, zo gelukkig was ik dat ik nog leefde.”

Maar hij moest wel verder. Eerst regelde hij huisvesting. „Ik mocht op de bank slapen bij de knappe Canadese dichteres die bij ons achter de bar werkte.” Vervolgens besloot hij dat het tijd was de zaken recht te zetten met zijn partner in Café Bar. „Ik ging met een busje naar de bar en haalde alles weg wat ik er had gemaakt, ik begon te slopen wat ik slopen kon.”

Zijn partner was not amused en belde de politie. Die arresteerde Gavagan. „Op het politiebureau sprak ik met de agent die mij destijds half dood op Sullivan Street had gezien. Hij had sympathie voor me. Dus toen mijn zakenpartner belde met de klacht dat ik hem met de dood bedreigd had, wat waar was, zei de agent: weet je wat je moet doen? Je moet die gast een ultimatum geven. Je vermoordt hem niet als hij jou een cheque uitschrijft.”

Het bleek briljant advies. „Ik kreeg de cheque. Ik had geld, daarmee kon ik in therapie.” Gavagan kreeg zijn leven langzaam weer onder controle. Hij begon opnieuw een eigen zaak, ditmaal wel succesvol, en trouwde met de knappe Canadese barvrouw, die inmiddels advocaat is en met wie hij een dochtertje van twee heeft. Al die tijd weigerde hij New York te verlaten. „Om de zoveel tijd belde mijn broer uit Wyoming. Die vroeg steeds: Eddy, waarom ben je daar nog? Ik zei dan: sterven kun je bijna overal ter wereld, maar deze stad heeft mijn leven gered.”

Tegenwoordig is Gavagans werk te vinden in verschillende delen van downtown Manhattan, zijn biotoop. Zo ontwierp en bouwde hij het interieur van de Merc Bar op Mercer Street, op slechts een blok van zijn eigen appartement. Hetzelfde deed hij met Bar Pitti op 6th Avenue, ook vlakbij, en op Crosby Street voor de exclusieve meubelzaak van de ontwerpster Michele Varian en BDDW, een zaak gespecialiseerd in houten meubilair. En hij doet mee aan het programma The Moth, true stories told live, waar hij voor publiek vertelt over de gebeurtenissen in Sullivan Street.

Gavagan houdt nog altijd van New York, maar niet meer van zijn buurt. „SoHo is een winkelcentrum geworden. De deli’s, kroegen en restaurants hebben bijna allemaal plaatsgemaakt voor dure boutiques of grote winkelketens.”

De stad is sowieso veranderd de afgelopen jaren, zegt Gavagan. „Je ziet in New York uitvergoot wat het probleem is door het hele land: er is nauwelijks nog een midden. De mensen aan de top verdienen 20, 50 soms wel 500 keer zoveel als de mensen onderop. De overgebleven middenklasse, mensen zoals ik, gaan weg.”

Ja, weggaan, New York verlaten – zelfs Gavagan denkt er wel eens aan. „Alles verandert als je een kind krijgt. Onze dochter weet nauwelijks wat gras is.” Waar hij dan heen zou gaan? Canada, waar zijn vrouw vandaan komt.

Maar eigenlijk wil hij niet weg, de gedachte aan vertrekken valt hem zwaar. „Er zijn zoveel dingen die je in New York kunt doen, die je niet ergens anders kunt doen. Dat komt door de mensen hier. Dat is wat me hierheen trok, en dat is wat me hier houdt. Ik werk hier met lui uit Guatemala, China en Ierland. Allemaal vaklui. In Montréal vind ik geen Marokkaanse stukadoor die weet hoe je mozaïeken kunt maken in pleisterwerk, zoals hij het ooit geleerd heeft van zijn vader en grootvader.”

En hij zou de creativiteit missen. „New Yorkers durven out-of-the-box te denken. Ik werk nu aan een minuscuul appartement waarvan de eigenaar wil dat ik de hele achtermuur eruit sloop en vervang door een glazen wand, zodat het lijkt alsof zijn binnentuintje bij de keuken hoort. Yeah!”

    • Mars van Grunsven