Afscheid van Marco

Marco slaat voor de derde keer deze avond een halve liter bier in één keer achterover. Zijn vrienden applaudisseren. Marco-man die alles kan! Als Marco een tevreden boer laat zucht de vriend naast mij dat dit dus precies is wat hij zo gaat missen. Morgen vertrekt Marco naar Moskou. Voorgoed. Ik zit met een groepje

Marco slaat voor de derde keer deze avond een halve liter bier in één keer achterover. Zijn vrienden applaudisseren. Marco-man die alles kan! Als Marco een tevreden boer laat zucht de vriend naast mij dat dit dus precies is wat hij zo gaat missen. Morgen vertrekt Marco naar Moskou. Voorgoed.
Ik zit met een groepje vrienden, een oom en tante en zijn moeder in een Italiaans restaurant zijn afscheid te vieren. We toosten: Op Marco-man! Marco’s ogen glinsteren, hij kucht en knikt, kucht weer, slikt, slikt nog eens en lacht. Straks ga ik hier nog lopen janken. Marco’s moeder staart met waterige ogen naar haar zoon.

Ik kwam het gezelschap tegen op straat. Ze gingen duidelijk iets vieren. Ik vertelde dat ik feestjes afga, vroeg waar ze heen gingen en of ik mee mocht. Je zit verkeerd, zei Marco’s moeder, dit is geen feest, dit is een afscheid.
Maar van Marco mocht ik mee. Het is een leuke laatste herinnering, zei hij, een vreemde gast aan tafel. In de groep werden veelbetekenende blikken uigewisseld. Een vriend fluisterde iets in het oor van een andere vriend. Iets dat klonk als ‘scharrel’ en ook iets als ‘tragisch’ of ‘magisch’ of misschien wel ‘manisch’. De tante knipoogde naar mij als om te laten zien dat ze heus wel begreep wat hier eigenlijk aan de hand was.
Ik was natuurlijk gewoon de tragische, magische of manische geheime scharrel van Marco-man.

Ik ga naar Rusland, zei Marco op weg naar het restaurant, voor wat ‘plannetjes’. Wat voor ‘plannetjes’ wilde hij niet zeggen. Maar het zijn grote plannetjes, dat wel. Nederland is hem te klein. Hij komt hier niet tot zijn recht. Vorige zomer was hij in Moskou. Daar hangt vuur in de lucht, hij rook het. En hier, hij ving lachend wat regendruppels op zijn hand, hier alleen maar water.

Nu jij! De oom priemt een vinger mijn kant op.
Ik schrik. Ik wat?
Speechen!
Nee. Ik schud vriendelijk doch beslist mijn hoofd. Maar Marco vindt het een briljant plan.
Een afscheidsspeech van iemand die hij niet kent. Twee vrienden beginnen in hun handen klappend mijn naam te scanderen alsof ik een voetbalclub ben. Mar-jo-lijn, Mar-jo-lijn. Ik voel mijn wangen gloeien. Goed, prima, als dat schreeuwen maar stopt. Ik schuif mijn stoel naar achter, pak mijn glas op en kijk naar Marco-man die als een klein jongetje van oor tot oor zit te grijnzen.

Op weg naar het restaurant kwamen we erachter dat we tien jaar in dezelfde buurt hebben gewoond. We hebben elkaar nooit ontmoet, tot vanavond. En nu zeg ik hem gedag. Misschien is het de zure witte wijn, of de blik van zijn moeder die mij zo mistroostig aankijkt, misschien het idee dat zij straks alleen achterblijft wachtend op sporadische skype calls van de zoon die ze net zo droevig ‘Kootje’ noemde terwijl ze een hand door zijn haar haalde en dieper zuchtte dan ik iemand ooit hoorde zuchten, of misschien is het wel het besef dat er elke dag mensen uit deze stad vertrekken die ik nooit ontmoette of zal ontmoeten en dat Marco een soort onvervulde mogelijkheid is, dat alle mensen dat eigenlijk voor elkaar zijn, hoe dan ook: ik voel iets van een brok in mijn keel.

En ik denk dat Marco het ziet.

Succes met het vuur in Moskou, zeg ik.
En vergeet je moeder niet te bellen. Vaak.
Ik hef mijn glas.
Goeie reis.
Marco heft het zijne, lijkt even naar woorden te zoeken.
Ja, mompelt hij dan.

Ja, jij ook.