Woede

Reiziger van beroep Ivo Weyel over stewardessen zonder naam.

De KLM heeft aangekondigd de naambordjes van het personeel in tweeën te knippen. Alleen de voornaam mag blijven, opdat reizigers in het vervolg niet meer kunnen traceren waar de stewardess woont. Alsof je dat met die achternaam zou kunnen achterhalen. Je moet wel een hele goede detective zijn om daarmee aan de slag te kunnen.

Reden is dat (letterlijk citaat) „reizigers zich steeds meer bewust zijn van hun rechten”. Overal geldt dat als positief. De burger is immers verplicht de wet te kennen. Daarin staat dat onder bepaalde omstandigheden vliegmaatschappijen geld moeten betalen bij vertraging en/of annulering. Dat weigeren ze echter pertinent. En ja, dan wil een reiziger nog wel eens kwaad worden. Maar dat hij dan linea recta de ruiten van de doorzonwoning van de stewardess gaat inslaan, lijkt mij ridicuul en overtrokken.

Nou wil het toeval wel dat ik de laatste tijd nogal wat woedende reizigers tegen ben gekomen. Niet zozeer in het echt, als in boeken. Schrijvers lijken een collectieve haat te hebben ontwikkeld tegen reizen. Tand des tijds? Het zijn immers allemaal recente boeken. Maar wat kunnen ze lekker tekeergaan. „Luchtvaartmaatschappijen zijn intrinsiek fascistische organisaties”, fulmineert Michel Houellebecq in zijn roman De kaart en het gebied. En: „Vliegen is een infantiliserende, concentratiekamp-achtige ervaring geworden.”

Marcel Möring valt hem bij in zijn Louteringsberg: „Eindeloze wachtrijen, te laat vertrekken, een broodje in plastic dat leek op iets dat je langs de weg vindt en koffie die twee dagen tevoren door een eenzelvige mensenhater was gezet in een oude beddenpan. En voor die koffie moest je nog betalen ook, tegen prijzen die duidelijk maakten dat de voedselcrisis nog maar net begonnen is.” Hij verzucht waar toch die „verrukkelijke in hemelsblauw mantelpak gestoken jongedames zijn gebleven die allemaal net zo gekunsteld spraken als onze koningin terwijl ze onderwijl informeerden naar de gezondheid van jou en je naasten en alvast een glas champagne inschonken?”

Aankomen in een goed hotel biedt schrijvers ook geen soelaas. „In negen van de tien hotelkamers zijn de ramen dichtgelast”, schrijft David Sedaris in Wanneer je omringd bent door vlammen. „Of ze kunnen hoogstens een halve centimeter open, voor het geval je een sneetje brood naar buiten moet gooien.”

Maarten ’t Hart moppert het allerbest. Over het „tevergeefs smachten naar een beetje slaap in luxehotels waar de kamerlucht zindert van de hitte”. Maar zijn lijfspreuk luidt dan ook: „Als je dood bent, hoef je goddank nooit meer op reis.”