Twitter, bommen en context: lastige vragen over terrorisme

Moet je in de krant lezen hoe je een bom kunt maken? En waarom neemt de krant genoegen met het publiceren van sms’jes en tweets van Geert Wilders?

Het zijn maar enkele lezersvragen over de berichtgeving inzake de aanslagen in Noorwegen de afgelopen week. De massamoord daar roept lastige vragen op over de journalistieke berichtgeving over terreur en de context ervan.

De krant heeft zich daarbij, laat ik dat meteen zeggen, op sommige dagen in topvorm getoond. Nee, niet op zaterdag, met een prematuur speculatief stuk over Al-Qaeda. Maar op maandag werd dat goedgemaakt met elf pagina’s nieuws, achtergronden en duiding. Een redactie in full swing levert indrukwekkende journalistiek op.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er geen vragen overblijven.

Eerst de bommen en granaten.

Een lezeres vraagt zich bezorgd af, waarom de krant maandag een stuk plaatste over het maken van bommen (Ook amateur maakt snel een vernietigende bom, 25 juli). „Wij vinden zoiets gevaarlijk”, e-mailt zij. „Natuurlijk is het goed te melden dat het makkelijk is om bommen te maken, maar het recept hoeft toch niet te worden gegeven?”

Een begrijpelijke vraag. Het minutieus vermelden van de exacte methodes van terroristen, zo is de vrees, brengt het gevaar van imitatiegedrag met zich mee.

Maar in dit geval werd het recept nu juist niet gegeven. Wetenschapsredacteur Karel Knip vermeldde wel de ingrediënten, maar niet de verhoudingen die nodig zijn om een bom te maken. Knip: „De simpele waarheid is dat mensen die kwaad willen, de betreffende informatie met Google binnen vijf minuten boven water hebben. Ik vind het mijn journalistieke plicht daarop te wijzen. De krant voegt er geen details aan toe die al niet in de eerste Google-resultaten te vinden zijn.” Integendeel, hij liet bepaalde details welbewust achterwege.

Dat vind ik een goede benadering. Ter relativering: nog niet zo heel lang geleden, zegt Knip, kon je als scholier in scheikundeboeken van de HBS precies vinden hoe je nitroglycerine moest maken. Ik neem het graag van hem aan.

Dan het heetste hangijzer: Wilders. Is er een verband tussen het strijdvaardige anti-islamisme dat de PVV uitdraagt en het gewelddadige universum van Breivik?

Op de opiniepagina’s barstte dat debat over die vraag op dinsdag los, met uitgesproken stukken van de columnisten Bas Heijne en Elsbeth Etty en Leefbaar Rotterdam-lid Ronald Buijt, die (vanuit zeer uiteenlopende visies) allen betoogden dat Wilders wel iets uit te leggen had. Het commentaar van de krant kopte trouwens een dag eerder al: Eenzame terreur in een context.

Die internationale context van rechts-extremisme en anti-islamisme werd vanaf maandag voorbeeldig en zakelijk in kaart gebracht door Marc Leijendekker, redacteur Buitenland. Laura Starink en later Chris Hensen deden indringend verslag vanuit Noorwegen, waar nog veel uit te zoeken valt.

Maar de binnenlandse berichtgeving over dit netelige onderwerp begon, ook in andere media, op kousenvoeten. „PVV-leider Geert Wilders veroordeelde direct scherp de aanslagen in Noorwegen”, stond maandag in de inleidende tekst boven een eerste stuk van de Haagse redactie. „Toch verwijten sommigen hem dat zijn ideeën de dader inspireerden.” „Scherp”, „toch”? Wilders had toen alleen nog maar een tweet (140 tekens) de deur uit gedaan. Was dat al genoeg?

Ook in eigen land lijkt er dus nog wel iets uit te zoeken. Hoe heeft „de wereldwijde anti-islambeweging” waar Wilders naar eigen zeggen (volgens zijn verklaring van dinsdag) deel van uitmaakt zich in Nederland de afgelopen jaren ontwikkeld? Wordt er gediscussieerd over strategie en tactiek? Wat zijn de overeenkomsten en verschillen met de politieke en maatschappelijke situatie in Noorwegen?

Dat heeft niets te maken met criminalisering van rechtse denkers, zoals nu wel heetgebakerd wordt beweerd. Het gaat niet om meedoen aan een moddergevecht tussen links en rechts – het onfrisse blame game dat nu op internet rondkolkt – maar om journalistiek onderzoek zoals dat ook is gedaan naar islamitisch radicalisme, toen radicale imams en neoreligieuze ideologen als Tariq Ramadan onder een vergrootglas werden gelegd.

Een hindernis daarbij is dat vragen stellen aan prominenten van de PVV, de partij die van de strijd tegen islamisering zijn speerpunt heeft gemaakt, geen sinecure is. Wilders zelf is slecht benaderbaar, natuurlijk ook al door de vele bedreigingen aan zijn adres. Interviews zijn schaars. Hij communiceert graag via sms en Twitter. Met deze krant sprak hij ruim een half jaar helemaal niet.

Verschillende lezers vinden dat de krant daar geen genoegen mee moet nemen. Als Wilders niet de moeite neemt om journalisten te woord te staan, schrijft een lezer, „is de passende reactie om geen aandacht te besteden aan [zijn] mening”. Negeren, dat getwitter.

Dat lijkt me geen goed idee: de lezer moet geïnformeerd worden en ook tweets zijn informatie.

Na de aanslagen in Noorwegen heeft de Haagse redactie Wilders bovendien twee keer om een interview gevraagd, en ook de mogelijkheid van een opiniestuk geopperd. Zonder reactie. PVV-Kamerlid Martin Bosma werd gevraagd of hij op het artikel van Bas Heijne wilde reageren. Hij sms’te terug dat hij een tweet van Heijne had gezien en alweer had „gegeten en gedronken”. Nee bedankt, dus.

Daar is weinig aan te doen. Het punt voor de redactie lijkt mij: vermeld bij de artikelen zulke weigeringen om vragen te beantwoorden. Een politicus is niet verplicht om journalisten te woord te staan, nee, maar de krant mag een afwijzing – zeker een consequente – ook best melden. Dan weet de lezer ten minste dat het is geprobeerd.

Los daarvan, er zijn natuurlijk ook tal van anderen dan Wilders die om hun deskundige mening kan worden gevraagd. Nederland heeft niet echt een tekort aan islamcritici, binnen en buiten de PVV.

Ik dacht niet dat ik het ooit zou zeggen, maar toch: jammer dat de krant al is gestopt met de politieke column van Martin Bosma. Juist nu we de ideoloog van de PVV zo hard nodig hebben. Hij had vast wel iets kunnen verhelderen.

Sjoerd de jong