Surfen blijft ook een sport van spelen

Surfer Dorian van Rijsselberge vertrouwt een jaar voor de Spelen op zijn gevoel. En hij traint met zijn grootste concurrent. „We pushen elkaar tot het uiterste.”

Je moet het maar durven, je grootste concurrent in huis halen. Letterlijk. „Kijk, daar slaapt JP”, zegt Dorian van Rijsselberge met een knikje naar een kamer in het riante onderkomen van de Nederlandse zeilploeg in Weymouth, aan de Engelse zuidkust. In de baai beneden worden over precies een jaar de olympische zeilraces gehouden. Nieuw-Zeelander Jon-Paul Tobin stapt naar buiten. „Hij is misschien wel de snelste”, zegt Van Rijsselberge.

In andere sporten lijkt het ondenkbaar, maar surfers zijn buitenbeentjes. Concurrenten die optrekken als echte vrienden. Die na de race even gaan kitesurfen. Samen. Gewoon, omdat het leven leuk is. Die samen de steile mountainbikepaden rond Weymouth verkennen, of cappuccino drinken op het naburige schiereiland Portland, discussiërend over de Tour de France.

Texelaar Van Rijsselberge, één van de medaillefavorieten, gaat in voorbereiding op ‘Londen’ nog verder. Hij aarzelde niet zijn Nieuw-Zeelandse sparringpartner, met instemming van het Watersportverbond, op te nemen in het huis waar hij zich voorbereidt op de belangrijkste wedstrijd uit zijn leven. „Niemand anders kan mij zo uitdagen als JP. We pushen elkaar tot het uiterste.”

De 22-jarige Nederlander – slippers, wollen petje, zonnebril – wordt nog elk jaar sterker. Vier jaar geleden zeilde hij al meer nominaties dan nodig voor ‘Peking’, maar moest hij Casper Bouman voor laten gaan. Bouman, volgens Van Rijsselberge „de snelste van allemaal”, is gestopt. Van Rijsselberge bleek een waardig opvolger met wereldbekerzeges in Miami, Mallorca en Medemblik, en WK-brons in Weymouth.

Daar is hij de laatste zomers te vinden, dag in dag uit, in de haven tussen Weymouth en Portland, waar timmerlieden druk bouwen aan het olympisch zeildorp. Op zoek naar de geheimen van het olympische water. Terwijl wetenschappers windbanen en stromingen onder de kust onderzoeken, vertrouwt Van Rijsselberge liever op zijn praktijkervaring. „Je moet het simpel houden. Hoe meer experts je erbij betrekt, des te meer je moet vergaderen. Kost allemaal energie. Je kunt beter het water opgaan. De wind komt van links, of de wind komt van rechts. Hoe meer tijd je doorbrengt op dit water, des te beter je vaart, blijkt uit de uitslagen.”

Kennis van het olympische water is zijn zorg niet meer – Van Rijsselberge kent ‘Weymouth’ net zo goed als de Noordzee bij Paal 17 op Texel, waar hij leerde surfen. Hij werkt vooral hard om sterker te worden, en om constanter te varen. „Ik win veel, maar ik heb ook altijd een paar uitschieters. Word ik ineens 21ste.”

En hij moet zijn enthousiasme indammen. Hij is de pure liefhebber, het kind dat opgaat in zijn spel, zoals onlangs gebeurde bij een regatta in Weymouth, waar hij brons haalde. „Ik had een paar heel slechte races. Ik dacht: hoe kun je zó met je hoofd in de kont varen. Ik genoot zo van mijn goeie start. Je ligt vooraan, het zeil wordt licht, alles gaat vanzelf. Je denkt: zo moet het! Dan kijk je om je heen: shit, het hele veld is weg. Ik had vijf seconden te lang genoten, had drie windvlagen gemist. En dus lag ik twintigste bij de bovenboei.”

De liefhebber moet dus zakelijker worden, zich bewust zijn van wat er op het water gebeurt. Hij herinnert zich zijn broer Adriaan, nu een van de beste slalomsurfers ter wereld, toen die nog junior was: „Hij zei eens na de race: papa, zag je hoe hard ik ging? Ja, zei papa, je ging prachtig hard. Maar je ging wel de verkeerde kant op.’’

Met zijn Nieuw-Zeelandse coach en boezemvriend Aaron McIntosh, oud-wereldkampioen, bedacht hij een foefje om terug te keren in de realiteit zodra hij wegdroomt. „Als ik eenmaal op de twintigste plaats lag raakte ik in de stress en nam ik enorme risico’s om terug te komen. Nu duw ik mijn platte hand even tegen mijn neus, puur psychologisch. Even resetten. Dan weet ik weer: plekje voor plekje terugvechten, eerst naar de negentien plek, dan verder.”

Van zijn strategieën maakt hij geen geheim, ook niet voor JP, de man die hem straks zal proberen te verslaan. „We zijn concurrenten, maar als je dingen achterhoudt voor je vrienden kom je er niet. Samen wil je één en twee worden. Dat is ook een beetje de surfwereld, meer dan in andere zeilklassen. Het klinkt misschien cocky, maar je moet ervan uitgaan dat je uiteindelijk zelf wint.”

Tot het uur van de waarheid aanbreekt gedragen surfers zich echter als kuddedieren. Van Rijsselberge en Tobin bedachten zelfs een naam voor hun ‘team’, waarin ook de Canadees Zach Plavsic en de Amerikaan Bob Willis trainen: POW. Hij moet even denken waar de afkorting ook al weer voor stond. Professional Olympic Windsurfers, dat was het. „Er is niks officieel aan. Anderen doen het ook”, zegt hij, wijzend naar een groepje surfers in de baai beneden. „Dat zijn de Latin Lovers, de surfers uit Spanje, Portugal, Brazilië en Mexico. En je hebt de Princess Club met een Israëliër, een Griek en een Italiaan. Iedereen zoekt een eigen trainingsgroep. Het is zoveel leuker het met elkaar te doen. We maken een hoop gein met elkaar. Doen alsof je geen controle meer hebt en je de ander niet meer kan ontwijken. Boys being boys. Het is absoluut topsport, want je moet ongelooflijk sterk en fit zijn. Ongeremd uitgaan kan niet meer. Maar surfen blijft ook een sport van spelen.”