'Mensdier' mag niet te veel op een mens lijken

Tot hier en niet verder. Het Britse college van artsen, de Academy of Medical Sciences (AMS), zette vorige week in een rapport de piketpaaltjes voor het onderzoek waarbij mens en dier vermengd worden. Met moderne genetische technieken en via het gebruik van embryonale stamcellen is het mogelijk menselijke genen of cellen te laten groeien in proefdieren. Zo zijn er geiten gecreëerd die een menselijk bloedstollingseiwit produceren in hun cellen, en muizen die een volledig menselijk afweersysteem hebben. Het zijn diermodellen die steeds meer standaard zijn geworden voor het onderzoeken van menselijke genen, cellen en weefsels. Mens-dier-hybriden worden bijvoorbeeld gebruikt als het niet ethisch is bepaalde proeven direct bij mensen te doen, zoals bij onderzoek aan tumoren of het testen van de veiligheid en werkzaamheid van nieuwe medicijnen. Het doen van experimenten met menselijke cellen in de context van een dierlijk lichaam levert vaak realistischer resultaten op dan soortgelijke proeven met celkweken. Maar hoe ver mogen onderzoekers gaan in het vermengen van mens en dier?

Wetenschappers en het grote publiek zijn het roerend eens over waar de grens ligt, concludeert de AMS in het rapport. Wat mag dan echt niet? Er mogen geen experimenten gedaan worden die kunnen leiden tot de bevruchting van menselijke eicellen en spermacellen in een dier. Er mogen niet zo veel menselijke hersencellen aan een dierenbrein worden toegevoegd dat een dier zich ‘menselijk’ gaat gedragen. En er mag geen dier gecreëerd worden dat eigenschappen heeft die als uniek menselijk worden beschouwd – een bepaalde gezichtsvorm, of kunnen praten.

Sander Voormolen