Kilometers hakken

Zwemmen in open zee is een sensatie, ontdekt Elsje Jorritsma. Boven wuivende wier-velden raken de armen zwaar, maar het hoofd leeg.

We zitten nog niet lang in het kleine vissersbootje als er latex handschoenen en een enorme pot vaseline tevoorschijn komen. Een flinke tube antihistaminecrème tegen de kwallen ligt al klaar. ‘Niet flauw doen, dit hoort blijkbaar bij serieus zwemmen’, spreek ik mezelf toe als zwemgids Francesco Cavaliere gebaart dat ik mijn armen omhoog moet doen. Terwijl hij een dikke laag vaseline op mijn schouders, oksels en nek smeert tegen het schurende zout van de Middellandse zee, probeer ik puberaal gegiechel te onderdrukken.

Maar een blik op het absurd heldere blauwe water rond het Italiaanse eiland Marettimo is genoeg om weer opgewonden te worden van het vooruitzicht: een week lang zwemmen langs formidabele rotsformaties, grotten en baaien. Of juist dwars over de diepe zee, kilometers per dag. Volgbootjes, vaseline en felgekleurde siliconen badmutsen maken duidelijk dat zwemmen in open water een serieuze zaak is. ‘Wild zwemmen’ wordt het met enig gevoel voor marketing ook wel genoemd.

Serieus had ik het zwemmen nooit aangepakt. Wel, zo lang mijn herinnering teruggaat, vol overgave. En liefst zonder chloor. Ik herinner me de onbegrepen ernst waarmee ik mijn moeder uitlegde dat ik eigenlijk een zeehond was, als ze me weer eens rillend en met blauwe lippen uit zee had geplukt. Zodra ik leerde wat het woord ‘element’ betekende, begreep ik dat water het mijne was. En toen ik op mijn tiende het indertijd al ouderwetse Pitty naar kostschool van Enid Blyton las, wilde ik ook naar school op Malory Towers. Iets mooiers dan een in rotsen uitgehouwen zwembad dat zich iedere vloed met vers zeewater vult, kon ik me nauwelijks voorstellen.

Ik ben blijven zwemmen, zwembaden mijdend. Chloor is altijd hetzelfde, buitenwater nooit. Soms stap je in een zoet, zijdeachtig meer, soms is het goudbruin en fris. Bergmeren zijn mineralig en voelen als vloeibaar ijs. De zee kan hartig, vissig zijn, maar ook koesterend en wierig. Als de zon schijnt boven helder, diep water, zoals de zwarte Zweedse meren, lijken er zonnestralen uit de diepte omhoog te komen. Het is moeilijk dan geen ontzag te voelen, ook al weet je niet precies waarvoor.

Romantisch verlangen

Als zwemmer zit ik ergens tussen schrijvers Iris Murdoch (dromerige bader) en Lord Byron (brute kilometerhakker) in. Murdoch ging het vooral om het water. Zoals haar man John Bayley in zijn boek Iris over haar schreef: „Iris hield niet van zwemmen op zich. Ze zwom nooit snel en lawaaiïg, en deed geen ingewikkelde slagen. In het water zijn, daar hield ze van.”

Daarmee staat ze in een lange traditie van schrijvers en dichters voor wie zwemmen vooral een spirituele ervaring is. Ondergedompeld in het water val je samen met de natuur op een manier die aan land moeilijk te evenaren is; direct, zinnelijk en onontkoombaar. „When you swim, you feel your body for what it mostly is – water – and it begins to move with the water around it”, schrijft de Engelsman Roger Deakin in zijn niet te evenaren zwem/reisboek, Waterlog. Het is niet moeilijk voor te stellen dat de overgang naar een geheel ander element, naar een vrije, gewichtsloze toestand, bij gevoelige zielen een sensatie van transcendentie teweegbrengt. Ook de Duitse schrijver Goethe was zo’n bader. Vrijwel iedere dag dobberde hij in de rivier achter zijn huis (hij kon niet goed zwemmen), bevrijd van de benauwde burgerlijkheid van alledag. Zwemmen kwam tegemoet aan zijn romantische verlangen naar een ideale wereld, natuurlijk, vitaal en ongecompliceerd.

Byron daarentegen was een romantische geweldenaar die kilometers aaneen zwom. Liefst in zee, hoe woester hoe beter. Bijvoorbeeld van zijn huis aan het Canal Grande in Venetië naar het Lido zo’n 4 kilometer verderop – en terug, storm geen bezwaar. Trotser dan op al zijn geschreven werk, blufte Byron graag, was hij op de lastige oversteek van de Hellespont, de nauwe zeestraat tussen de zee van Marmara en de Middellandse zee. Hij deed dat in navolging van de mythische Leander, die iedere nacht over de Hellespont naar zijn geliefde Hero zwom – tot hij in een novemberstorm verdronk.

Zwemreizen

Het is een lange omweg van Murdoch en Byron naar mijn zwemvakantie op Marettimo, maar het heeft er toch alles mee te maken. Byron was een voorbeeld voor generaties zwemmers na hem, onder wie Simon Murie, de oprichter van Swimtrek – de Engelse reisorganisatie waar ik mijn zwemreis boekte. Het was na zijn eigen (eerste) oversteek van de Hellespont, bijna tweehonderd jaar na Byron, dat Murie besloot van zijn liefde voor zwemmen zijn werk te maken. Gek genoeg juist omdat de oversteek moeilijk te organiseren was (de Hellespont is een van de drukst bevaren stukken zee op aarde) en geen van zijn vrienden mee wilde (buitenzwemmen inclusief kou, kwallen, golven, en in het geval van de Hellespont, heel erg veel olietankers, is niet voor iedereen).

Volgens Murie waren er meer avontuurlijke zwemmers. Hij moest ze alleen nog vinden. Bijvoorbeeld door zwemreizen via het internet aan te bieden, compleet met locatie, route en volgbootjes. Murie was zo overtuigd van het idee dat hij zijn werk als mijningenieur er voor opgaf. Hij lijkt de tijd goed te hebben aangevoeld. In ieder geval in Groot-Brittannië is er de laatste jaren een echte opleving van buiten zwemmen. In 2008 bijvoorbeeld beschrijft Kate Rew in het boek Wild Swim de beste plekken om in Groot-Brittannië buiten te zwemmen. Ze richtte ook de Outdoor Swimming Society op, een vereniging met inmiddels tienduizenden leden. Wild zwemmen heeft onmiskenbaar een zekere cool-factor gekregen.

Trouwe baantjestrekkers

De reizen zijn voor allerlei soorten zwemmers, benadrukt hij. Niet alleen wedstrijdzwemmers en triatleten zijn welkom, óók de trouwe baantjestrekker uit het sportfondsenbad die op avontuur wil.

Dat betekent voor de gemiddelde banentrekker wel wat extra oefenen. Deelnemers moeten over de gemiddelde dagafstand een ‘sustained swimming pace’ kunnen volhouden, vermeldt de website streng. En hoewel dit vereiste niet vooraf gecontroleerd wordt, is het handig je er wel iets van aan te trekken. Tijdens mijn tour rond de Egadische eilanden zouden we gemiddeld 5 kilometer per dag zwemmen. En ik trek echt niet regelmatig 200 baantjes in het lokale binnenbad. Maar twee kilometer crawlen in buitenwater lukt wel, en ik rekende er op dat de fabelachtige zwemomgeving mij boven mijzelf zou doen uitstijgen. Voor zwemmers die vooral om zich heen willen kijken (en niet al te hard willen) heeft Swimtrek ook zogenoemde ‘scenic’ tochten.

In mijn groep waren de brave zwemmers wat ondervertegenwoordigd. Ik was achteraf blij dat ik als eerste aan de beurt was bij het kennismakingsrondje, nog even in de waan dat mijn zwemervaring iets voorstelde. Maar mijn ‘ik houd gewoon erg van buitenzwemmen’ stak wel erg magertjes af tegen ‘lid van het Tsjechisch olympisch team geweest’, ‘op Zweeds nationaal wedstrijdniveau gezwommen’ en ‘Ik heb me de laatste jaren vooral op het zwemgedeelte van de triatlon toegelegd’. Na een stukje voorzwemmen werd ik ingedeeld bij de gele badmutsen. De ontspannen zwemmers, zeg maar. De snelleren kregen roze en de echte watermolens oranje siliconen mutsen.

De volgende dag ging geel bij de Punta Bassana als eerste te water, onder de luide aanmoedigingen van coach Cavaliere: stay coastal! Het beviel me prima, ritmisch doorzwemmen boven zee-afgronden, wuivende wiervelden, een wegschietende inktvis. Ik merkte niet eens dat we al snel werden ingehaald door de drie oranje en even daarna de twee roze badmutsen.

Na een uur begon ik steeds vaker op te kijken naar de landtong waar we zouden stoppen voor lunch. Onder water mopperde ik op kwallen, golven en lekkende brillen. Er was een moment dat ik echt dacht dat ik het niet zou halen. Maar je blijkt vrijwel volledig op wilskracht te kunnen zwemmen, en behalve voor de korte behandeling van een kwallenbeet ben ik niet in de volgboot gestapt. Ruim anderhalf uur deden we over de eerste 3 kilometer. Ik was de enige die blij was dat de tocht na de lunch na 1 kilometer werd afgebroken omdat er te veel kwallen waren.

Toch was ik die avond tevreden over mijn prestatie, zeker na wat wijn en verse vis – om vervolgens de hele nacht wakker te liggen van de pijn in mijn armen. Ik was ervan overtuigd dat ik nooit meer een kop thee kon optillen. Iedere gedachte aan de zwemtocht van morgenochtend, drie kilometer tussen het lokale kasteel en de haven, bande ik uit. Aan de kade ’s morgens overwoog ik zelfs nog even om niet in de boot te stappen die ons naar het kasteel zou brengen. Maar, en dat mag gerust het wonder van Marettimo heten, eenmaal in het fluwelen water gegleden, zwembril op, begonnen de armen als vanzelf te bewegen. Geen pijn, en met iedere slag voelde ik de kracht terugstromen in de als verloren opgegeven ledematen.

De volgende nachten herhaalde dit ritme zich, maar steeds minder heftig. En toen de wind aan het eind van de week opstak, met bijbehorende golven, kon geel zowaar met de roze mutsen meekomen.

En hoewel ik daar trots op was, gaat het er tegelijk niet om. Want elke dag, eenmaal te water, was ik al snel in ieder opzicht ondergedompeld. Er gaat niets boven het trage, ritmische ademhalen in de crawl om het hoofd vrij te maken voor dagdromen. En als je boven rivieren van vissen, woeste wiertuinen, en ja, een paar kwallen, zwemt, is wie er voorop ligt volmaakt onbelangrijk.