Je moet de maximale lekstroom aantonen - de patiënt moet niet onder stroom staan

Het eerste wat Wouter Sjoerdsma, manager van de sector Experimentele Medische Instrumentatie van het Erasmus MC te Rotterdam, trots aan zijn bezoek laat zien, is het uitzicht uit het raam in zijn werkkamer. Negentiende verdieping, “bijna net zo hoog als de Euromast!” – die vlak voor onze neus staat. Het is een prachtige, heldere dag; daar in de verte, wijst hij, ligt Pernis. Dit is niet de hoogste etage, er zitten er nog een paar boven. Bijvoorbeeld een afdeling waar onderzoekers met ultrageluid eigenschappen van hart- en bloedvaten bestuderen. “Dat is onze grootste opdrachtgever”.

EMI maakt op verzoek apparaten en instrumenten die nog niet bestaan, voor onderzoekers van het Erasmus MC. Sjoerdsma geeft een rondleiding over zijn afdeling. Een kleine afdeling, zes mannen en een vrouw, waar een prettig introvert soort gezelligheid heerst.

Eerst langs Sylvia Leenheer, die de bedrijfsvoering doet. Zij regelt onder meer de inkoop, “want alles wat te koop is, hoeven we niet te maken”. En dan snel door naar het machinepark, want daar, aan het eind van een ruimte vol houten werkbanken met setjes inbussleutels en ander klein gereedschap, staat de computergestuurde 5-assige freesmachine. “Dit is die machine die ze in Wageningen zo graag wilden hebben”, zegt Sjoerdsma stralend. Hij heeft het over de eerste aflevering van deze serie, op 25 juni in deze krant; daarin vertelde de coördinator van de Ontwikkelwerkplaats van Wageningen UR dat ze geld hadden om eindelijk een computergestuurde 5-assige freesmachine aan te schaffen.

En hier staan er zomaar twee, lijkt het. Maar nee, vertelt Sjoerdsma, die linker is de 3-assige. Daarbij kan de freeskop (een soort boor die geen gaten maakt, maar materiaal wegslijpt) in verticale en twee horizontale richtingen bewegen – langs de x-, y- en z-as. Bij de 5-assige machine kan het werkstuk ook nog in twee richtingen draaien. Het zijn meer dan menshoge grijsgroene apparaten met een met glas afgesloten hokje erin. Daarin kun je het in vorm te snijden materiaal in een werkbank klemmen. In het linker apparaat liggen nog de prachtig glanzende splinters en vlokjes aluminium van een pasgefreesd project – het zijn net stukjes kristal. Aan de buitenkant van de apparaten zit een computerscherm: wie een op de computer gemaakte 3D-tekening invoert en de goede knoppen indrukt, krijgt een in vorm gefreesd object, precies volgens de tekening.

Een kamer verder zit Eldert Kortenoever met zo’n 3D-tekenprogramma voor zijn neus. Een knalroze rechthoek vult het scherm, met afgeronde hoeken en in het midden een opening – hij draait het object op de computer rond om het van alle kanten te laten zien. Het is een bodemplaatje voor onder een microscoop, met een uitsparing erin waar een muis in kan liggen, legt Kortenoever uit. Een muis met kanker. In een andere, kleinere uitsparing aan de zijkant komt een wit plastic ringetje waar de tumor van de muis in geklemd wordt. Dat ringetje is al af, het plaatje moet nog gefreesd.

Tegenover Kortenoever zit Michiel Manten. Hij werkt ook al aan iets wat je onder de microscoop moet leggen: een framepje met twee doorzichtige stukjes plasticfolie erin, waartussen je een héél dun laagje vloeistof kunt spuiten. In die vloeistof worden piepkleine belletjes gebracht met bijvoorbeeld een medicijn erin, vertelt Manten; onderzoekers manipuleren die belletjes met ultrageluid, licht of warmte. “Zodat het belletje kapot gaat en het medicijn wordt afgeleverd als het in het lichaam op de plek van bestemming is.” Maar dat is nu nog niet aan de orde; dit framepje is eerst om met de belletjes te experimenteren buiten het lichaam.

Aan de andere kant van de afdeling zitten de twee oudgedienden van het EMI: Alex Brouwer en Cees Bakker werken hier allebei al meer dan dertig jaar. “De afdeling is in 1968 begonnen”, zegt Bakker. „Ik kwam hier als stagiair.” Hij is de elektronicus van de afdeling en heeft bijvoorbeeld de MUSE-spectrometer gebouwd: een apparaat ter grootte van een desktopcomputer dat onder zijn deksel verschillende lampen herbergt. Het licht daarvan wordt door een snoer naar een dikke naald geleid, die bijvoorbeeld in een borst kan worden gestoken. “Je richt zo’n lichtbron op het weefsel”, legt Bakker uit, “en dan krijg je een bepaald lichtspectrum terug. Op basis daarvan kun je meten of er een tumor zit.” De MUSE moet medisch veilig zijn, legt hij uit: “Het materiaal moet tegen de hoge temperatuur kunnen die nodig is om het te steriliseren. En je moet aan kunnen tonen wat de maximale lekstroom is.” Zodat de patiënt zelf niet onder stroom komt te staan.

Alex Brouwer werkt aan hetzelfde microscoopplaatje als Eldert Kortenoever, dat voor de muis met kanker. “Er moet een verwarmingselement in, want als zo’n muis onder narcose is regelt hij dat niet zelf”, zegt Brouwer droog. “En de tumor moet apart verwarmd kunnen worden. Er zijn medicijnen die bij een bepaalde temperatuur pas actief worden, daar zijn ze nou weer heel erg mee bezig. Dus als je alleen de tumor op een bepaalde temperatuur houdt, komen de medicijnen alleen dáár vrij.”

En hebben we nu iedereen gehad? Nee. Geert is er niet, zegt Sjoerdsma, Geert Springeling. “Die heeft net gezinsuitbreiding gehad.” We lopen terug naar Sjoerdsma’s kamer. Er ligt een foto van een pasgeboren baby op zijn bureau, rood koppie, mutsje op. Uitgeprint op een A4-tje.

Ellen de Bruin