'Ik ben angstwekkend stabiel'

Bij een bouillon van ossestaart gevuld met ganzenlever vertelt ondernemer en miljonair Willem Middelkoop hoe je onkwetsbaar kunt zijn.

Bob van der Vlist, NRC Handelsblad, Lux, Lunch, Willem Middelkoop, 17/07/2011 Castricum

Rijke mensen zijn de conciërge van hun bezittingen.” Zo, dat is er vast één. Straks zullen er nog een paar oneliners komen, want Willem Middelkoop (48) grossiert in dat soort uitspraken. Al zijn kennis en kunde verzamelde hij zelf. Uit het niets werd hij eerst fotograaf, toen beurscommentator (voor RTL-Z), schrijver (Als de dollar valt). En rijk. Deze maand verkocht hij zijn webwinkel in zilver en goud (omzet: 70 miljoen), en nu is hij rijker dan ooit.

Maar geen conciërge. Dat zijn de mensen die een tweede of een derde huis kopen, een boot, en nog een auto, maar zich daar ondertussen zoveel zorgen over maken, dat je medelijden met ze moet hebben. „Waarom zou je een chalet in de Alpen kopen, of een jacht? Dat soort dingen moet je niet hebben maar huren.” Kijk naar hem. Hij woont in hetzelfde huis als elf jaar geleden, toen hij nog chef was van de fotoredactie van Het Parool. Zijn auto is nauwelijks groter geworden, zijn vakanties niet verder.

„Eindelijk komt er een nieuwe generatie die het begrijpt”, zegt hij. Of bedoelt hij: een generatie die naar hem luistert? Hij zegt al jaren dat het financiële systeem een zeepbel is. Dat de banken ons een loer draaien. Dat een slimme rijke doet wat hij doet: papier omwisselen voor goud. De banken hebben hun goudloketten lang geleden gesloten. Om ze te pesten, opende Willem Middelkoop er juist één in 2008: de webwinkel AmsterdamGold, die hij dus net heeft verkocht. Duizenden mensen kochten bij hem in, gemiddeld besteedden ze 30.000 euro. Toen hij begon, kostte een kilo goud 20.000 euro, nu is het 36.000 euro waard. Een kilo goud is ongeveer zo groot als een mobieltje.

De ober begeleidt ons naar een plaatsje aan de raamzijde. In het hele land regent het, maar hier schijnt door de glas-in-lood ramen de zon. Willem Middelkoop moffelt zijn iPhone, een mobieltje en zijn autosleutels (2 maal BMW) eerst achter zijn rug in de stoel en legt ze, als dat niet lukt, achteloos in de vensterbank. Knabbelt vast op een amandel uit een bakje op tafel. „Ik ontbijt nooit.” Of meneer Middelkoop een glas champagne had gewild?, vraagt de ober. Dat wil meneer Middelkoop wel. Geen wijn, want hij wil straks nog werken.

Geld maakt niet gelukkig. Weinig geld maakt niet per se ongelukkig. Willem Middelkoop: „Met een huuretage voor 400 euro in Amsterdam ben ik ook gelukkig. Alles op loopafstand, geen auto nodig. Voor 15 euro zit je een hele avond op een terras in een wereldstad. In de City, of Manhattan kan dat niet. Daar zijn niet eens terrassen.” Onbegrijpelijk vindt hij het, als mensen denken rijk te kunnen worden door een lot in de loterij. Hij wijst naar de met wit damast gedekte tafels rondom ons. „Waarom zou je geld weggooien voor een lot? Als je voor die vier tientjes hier fantastisch kunt lunchen?” Hier, dat is Apicius, het restaurant met een Michelinster in het centrum van Bakkum, waar Willem Middelkoop woont. Hij komt er zo regelmatig dat de ober zijn favoriete gerecht weet: de bouillon van ossenstaart gevuld met ganzenlever.”

Pleeggezin

Willem Middelkoop heeft altijd geweten dat het geld zijn kant op zou komen. Omdat hij wist dat hij er slim genoeg voor was. En omdat hij het wilde. Niet om er gelukkig van te worden, maar onafhankelijk. Zich nooit meer voelen zoals vroeger. De eerste achttien jaar van zijn leven klinken als een verhaal van Charles Dickens. Geboren in Genève als middelste kind van een Nederlandse kernfysicus en een moeder die na het derde kind psychotisch raakte. Drie jaar oud toen zijn ouders gingen scheiden. Hij werd ondergebracht bij pleeggezinnen in Dordrecht, op de Veluwe en in Drenthe. „Het werd steeds slechter.” Hij vertelt hoe hij van zijn eigen geld een buskaartje kocht om op zaterdag van Veeningen („gehucht zonder kerk of voetbalclub”) naar Hoogeveen te reizen en daar in de bibliotheek alles te lezen, tot en met de Pravda aan toe. Hij pauzeert kort, als om in te schatten of ik ontvankelijk ben voor meer. „Bij -10 fietste ik langs de boerderijen om de stand van de gasmeters op te nemen. Mijn eerste echte baantje.” En: „Ik had uitgevonden dat ik met plastic zakjes onder mijn sokken geen koude voeten meer had.”

Hij heeft nog altijd moeite met kou, ongemak, geploeter. Iedereen, zegt hij, droogt zich liever af met een dikke, warme handdoek. „Ik word ongelukkig van koken, van stofzuigen, strijken.” Hij citeert een uitspraak van Groucho Marx: „Geld bevrijdt je van vrijwel alles waar je een hekel aan hebt.” En hij heeft toevallig aan heel veel dingen een hekel.

Hij houdt „extreem” van comfort. Als hij in een hotel met één ster moet, blijft hij liever thuis. „Van een vijfsterrenhotel word ik op slag gelukkig.” Zijn vriendin vond destijds het huis waarin ze nu wonen veel te chic. Het is een appartement in een verbouwde psychiatrische kliniek. „Met marmer op de vloer, en een hek eromheen als een soort gated communitiy. Ik vond het direct fantastisch.”

Voor dat soort dingen is geld handig. Maar geld is nodig voor als alles weer misgaat. Good things never last. Hij voorspelde de kredietcrisis nog voor het woord bestond. „Geld moet altijd gedekt worden door iets van waarde. De waarde van de dollar was gekoppeld aan goud. Tot de zomer van 1971. Sindsdien voeren de banken een strategie om mensen te laten vertrouwen op de waarde van papiergeld. Waarom? Omdat zij dan zelf kunnen bepalen hoeveel het geld waard is. Ze proberen bewust goud en zilver aus zu radieren.” Hij zegt het al jaren: het is niet de vraag of het papiergeld zijn waarde verliest, maar wanneer.

Ja, hij gelooft in complotten. Hij is op alles voorbereid en kijkt nergens raar van op. Zijn intuïtie vertelt hem altijd waar het gevaar loert. Afgelopen nacht heeft hij nog iets op Twitter gezet (hij heeft 5.000 volgers). Een „zeer verontrustend onderzoek”, van een Canadees die met een tissue wat regenwater opdepte van zijn autoraam en er een Geigerteller bij hield. Die sloeg op tilt. „Radioactieve fall-out van de verwoeste kerncentrales in Fukushima. Bij zo’n ramp slaat elke vezel in me alarm. Ik wil er alles van weten. Volstrekt monomaan.”

Nee, hij voelt niet snel paniek. „Ik ben juist angstwekkend stabiel. Gaan de zaken slecht, dan voel ik me een 6,5. Als het goed gaat een 7,5. Niet meer, nooit minder.” Daar komt weer een oneliner: „Het verschil tussen geniaal en gek, is de mate van succes.” Hij bedoelt: hij is succesvol en dus niet gek. „Om iets te bereiken moet je ‘out of the box’ kunnen denken. Ik voel feilloos achter welk idee ik moet aanlopen.” In de jaren negentig, toen hij nog fotojournalist was, kocht hij appartementen in de Amsterdamse binnenstad om te verhuren aan expats. „Toen ik zag aankomen dat de huizenprijzen zouden dalen, heb ik alles meteen te koop gezet. Misschien drie jaar te vroeg, maar ik zal mijn geluk nooit pushen.” Economen hebben hem uitgelachen toen hij als RTL-Z commentator sombere voorspellingen deed over een naderende crisis. Sombermans, noemde ze hem. Onheilsprofeet. Zijn boek over de val van de dollar was al een jaar op de markt, toen de Amerikaanse bank Lehman Brothers in 2008 omviel. „Toen ineens brak Willem door.” Ineens was hij deskundige en, zoals hij zelf zegt, „fulltime bekende Nederlander”.

Uitslaande brand

Op televisie had hij al een paar jaar de voordelen van goud aangeprezen. Zelf had hij het al aangeschaft, dat hij het ook zelf ging verkopen, was niet meer dan logisch. „Ik was op bezoek bij de op een na oudste leverancier van edelmetalen ter wereld, Schöne Edelmetaal. Ik zei: jullie moeten een webshop openen. Dat wilden ze niet. Toen ben ik het zelf maar gaan doen.” En ja, na de bankencrash werd de goudhandel een uitslaande brand. „Hoogleraren, Kamerleden, ondernemers, iedereen wilde goud in plaats van geld.”

Ineens kon hij worden wat hij altijd gedroomd had. Tycoon. „Een eigen imperiumpje bouwen, net als Richard Branson van Virgin Airways. Mijn grote voorbeeld. Groter, rijker, sterker en machtiger zijn dan de anderen.” Maar daar is hij van teruggekomen. Hij kent ook die joodse verwensing: ‘ik hoop dat je veel personeel krijgt’. „Ik kwam binnen op mijn kantoor waar ik normaal lekker alleen zit, zaten er ineens acht mensen te werken. Ik hoefde ze niet eens te zeggen wat ze moesten doen, dat wisten ze ge-woon.” Hij werd er niet gelukkiger van, en besloot de webshop te verkopen. „Ik had door kunnen pakken door ook goud te gaan inkopen en goud op te slaan.” Maar, net als toen met het vastgoed, is hij ook nu gestopt ver voor hij de grens van de groei bereikte. Te veel beren op de weg. „Je op-slag zal maar overvallen worden en weg is je goeie naam.”

Nu heeft hij geen chauffeur meer nodig, en ook geen PA (personal assistent). „Heerlijk. Ik ben bijna 49 en kom eindelijk tot rust. Dat mannengedoe om te laten zien dat je slimmer en beter bent dan de rest is een beetje onvolwassen. Ik heb nu wel laten zien wat ik kan.” Nog eentje dan: „Nothing more disturbing than to see your neighbour get rich.” De andere aapjes op de rots gunnen hem zijn succes niet. Dan zeggen ze bijvoorbeeld dat hij de financiële crisis expres heeft overdreven om mensen naar zijn eigen goudhandel te lokken. „Kinnesinne”, noemt hij dat. En onzin bovendien. Voor het geld hoefde hij het ook niet te doen. „Mijn laatste auto kocht ik van de opbrengst van mijn boeken, de hypotheek kunnen we betalen van het salaris van Brechtje.” Brechtje is zijn vriendin, met wie hij twee zoontjes heeft, Moos van 10 en Mischa van 7. „Ik wás al rijk door die appartementen. Het is nu alleen ietsje meer geworden.” Hij heeft even overwogen zijn droomhuis te kopen, in Bloemendaal. Hij doet het niet. „Met een huis van tig miljoen word je kwetsbaar.”

Of meneer Middelkoop nog koffie had gewenst, vraagt de ober. Willem Middelkoop wil liever Amaretto met ijs, hij drinkt nooit koffie. „Geen bier maar wodka-cola. Geen toetjes, geen brood of aardappelen. Ik let goed op wat ik eet. Ik heb besloten alleen nog te eten wat ik lekker vind. Kleine hapjes, niet van die zware kost. Waarom zou ik een saaie boterham met kaas eten, als ik sushi kan hebben?”

Sinds de verkoop van zijn goudgroothandel heeft hij alle tijd om zich te richten op zijn Gold&discoveryfund, zijn andere bedrijf. Vissen voor grote jongens, noemt hij het. Samen met twee partners en 20 particulieren zette hij een beleggingsfonds op dat in bedrijven investeert die de wereldbodem afspeuren naar zeldzame grondstoffen. Vindt een bedrijf wat, dan steekt het fonds er geld in, dat met winst terugvloeit zodra er serieus gedolven gaat worden. Het fonds is van drie naar 80 miljoen euro gegroeid, de deelnemers krijgen 25 procent rendement. „Daar ben ik nou trots op. Dit is wat ik wil doen.”

Nog een koekje. Hij kijkt op zijn horloge. Kwart voor drie. Hij moet eens naar kantoor. Om half vier worden de beleggers in Canada wakker, dan moet hij even achter de computer. Niet werken zou kunnen, maar is voor hem geen optie. „Kijk naar Warren Buffet, die Amerikaanse multimiljardair. Hoe oud is hij? 80? Die werkt nog elke dag. Zie je vaker bij mensen op het hoogste niveau in de financiële wereld. Die stoppen niet.” Willem Middelkoop begrijpt dat. „Het gaat om het spelletje. Niet om het geld.”