Het heilige ideaal en de foute middelen

Linkse en rechtse radicalen begingen dezelfde fouten. Doel en middelen moeten in verhouding blijven, stelt Hubert Smeets.

Geweld als middel om een doel te verwezenlijken: radicale bewegingen en hun ‘sympathisanten’ worden er altijd mee geconfronteerd. Veertig jaar geleden beet uiterst links zijn tanden stuk op het vraagstuk of en wanneer „bevrijdend geweld” kon worden gebruikt tegen het „structurele geweld” van het establishment. Nu proeft uiterst rechts, dat zich sinds de Tweede Wereldoorlog steeds verre hield van neonazistisch geweld en hooguit verbale agressie aan de dag legde jegens de elite, zijn nieren.

De terroristische aanslagen in Noorwegen en de daarop volgende fall-out in Nederland zijn dan ook niet uniek. De geweldspiraal, waarin de anti-islambeweging verstrikt is, doet denken aan de geweldsescalatie waarin de anti-imperialistische beweging in de jaren zeventig verzeild raakte. Ook de vijand is identiek: de sociaal-democratie. Toen maakten sociaal-democraten volgens de anti’s gemene zaak met het kapitalisme, nu met het multiculturalisme.

Er zijn grotere en kleinere overeenkomsten tussen Anders Breivik en Andreas Baader van de Rote Armee Fraktion. Breivik (32, zoon van een uithuizige diplomaat) slikte anabolen voor zijn „preventieve oorlog” tegen de „cultuurmarxisten”. Baader (34 bij zijn dood, zoon van een cultuurhistoricus die bij Stalingrad verdween) gebruikte amfetamine voor de „stadsguerrilla in de metropolen” van het kapitalisme. Breivik is blij „dat nieuwe generaties in de grote steden opgroeien die hebben geleden onder islamitische tirannie”. Baader liet zich inspireren door de communeslogan „maak kapot, wat jou kapot maakt”. In twintig jaar heeft de RAF 34 mensen vermoord. Breivik heeft een veelvoud geliquideerd.

Maar er is meer. De houding in de niet-gewelddadige kringen van de anti-establishmentbewegingen is eveneens herkenbaar.

Wat is bijvoorbeeld het verschil tussen de radicale nationalist Geert Wilders en de radicale socialist en studentenleider Rudi Dutschke?

Natuurlijk. Dutschke (1940-1979) opereerde buitenparlementair en stierf jong, als gevolg van een moordaanslag door een anticommunist. Wilders (1963) werkt parlementair, leeft en kan zijn ‘strijd’ voortzetten, zij het onder permanente dreiging van een islamitisch geïnspireerde moordaanslag.

Maar los van deze feiten en van politieke voorkeuren: Wilders verkeert na Oslo en Utøya in een soortgelijke positie als Dutschke toen.

Bij de begrafenis van Holger Meins, een terrorist die zich in 1974 in een Duitse gevangenis had doodgehongerd, riep Dutschke aan het graf: „Holger, de strijd gaat door.” Dutschke werd aangevallen op deze kreet en zag zich gedwongen tot een nadere toelichting: tégen het geweld van de RAF. „De klassenstrijd is een leerproces. Maar terreur belemmert elk leerproces van de onderdrukten en de gekrenkten”, nuanceerde hij.

Kortom, Dutschke was het op hoofdlijnen eens met het doel (een klasseloze maatschappij) maar niet met de middelen (geweld) van Meins.

Wilders verzond ook twee boodschappen. „De PVV noch ik zijn verantwoordelijk voor een eenzame verknipte idioot die de vrijheidslievende anti-islamiseringsidealen op gewelddadige manier misbruikt [...] Wij strijden op een democratische en geweldloze manier tegen de verdere islamisering van onze samenleving en zullen dat blijven doen”, liet hij dinsdag weten. Maar de volgende ochtend nuanceerde hij weer: „Linksigen als Cohen en Dibi proberen nu politiek slaatje te slaan uit massamoord. Ranzig. PVV blijft zichzelf, inhoudelijk en ook vwb toon!!”

Kortom, Wilders is het op hoofdlijnen eens met het doel (een islamloze maatschappij) maar niet met de middelen (geweld) van Breivik.

Die ambiguïteit – distantie tot de middelen van hun ‘sympathisanten’ zonder het doel te verloochenen – is niet nieuw. Anti-imperialistisch links had er decennia geleden patent op. Nu zoekt anti-islamitisch rechts hier dekking in dubbelzinnigheid.

Een voorbeeld. Een paar weken na de moord op procureur-generaal Siegfried Buback in april 1977 schreef de anarchist Klaus Hülbrock in een blad van de Universiteit van Göttingen onder het pseudoniem Mescalero het pamflet Buback – Ein Nachruf. „Eerlijk gezegd betreur ik het een beetje dat we zijn gezicht niet meer kunnen opnemen in het kleine rood-zwarte misdadigersalbum dat we na de revolutie gaan uitgeven.” Maar nu hij dood was, een „enfant perdu”, wilde ‘stadsindiaan’ Mescalero niet verhelen dat hij na de moord op Buback „klammheimliche Freude” had gevoeld: heimelijk plezier.

De commotie was groot. De politie ging over tot strafvervolging van het blad, de universiteit tot schorsingen. Hülbrock hield zich schuil. Pas in 1999 liet hij de zoon van Buback weten dat de tekst hem „pijn” deed.

Ruim een week na de moorden in Noorwegen verstopt Martin Bosma, denker in „onze falanx” zoals hij de PVV noemt, zich als een Mescalero. In zijn boek De schijn-élite van de valse munters hekelt hij het „zwijgen” van de ‘linksmens’ die zich net zo onderdanig gedraagt jegens globalisering en massa-immigratie als indertijd tegenover het communisme. Nu lijdt hij aan dat euvel. Anders dan Mescalero – die in zijn beruchte Nachruf nog wel degelijk inging op doel en middelen – ontloopt Bosma nu zelfs die kernvraag.

Bosma neemt met dit ostentatieve zwijgen, een vorm van arrogantie die ook kenmerkend was voor radicaal links in de jaren zeventig, een risico. Want rond Bosma’s „rassemblement van vrolijke patriotten” is rumoer. De sympathisanten denken wel degelijk na over doel en middel. Dat is logisch als je de gevestigde maatschappelijke orde wilt kantelen. Dan moet je nadenken over de instrumenten die voor zo’n revolutie noodzakelijk en/of oorbaar zijn.

De publicist Bart Jan Spruyt van de Edmund Burkestichting (EBS), heeft daarbij het voortouw genomen. Zes jaar geleden schreef Spruyt een nota over zijn strijd tegen de „eenpartijstaat met oligarchische trekjes”: het systeem van ‘Monarchie en Politieke Partijen’. Zijn stichting was volgens hem weliswaar „sexier dan ooit” maar geen „motor achter revoluties” à la Thatcher en Reagan. Spruyt toen: „Het is de taak van de EBS om klaar te zijn op het moment dat de ultieme provocatie of een crisis (economisch dan wel terroristisch) het systeem doet imploderen en ongekende politieke ruimte schept. […] Building an army. […] Er dient dreiging van ons uit te gaan. We moeten voor de MPP als een mysterie en imminent gevaar boven de politieke markt hangen.”

Dinsdag schreef Spruyt in het blad Binnenlands Bestuur: „Breivik is de duivelse karikatuur van een goede en juiste visie. De visie namelijk dat het ideaal van de multiculturele samenleving – inderdaad – mislukt is.” Maar Utøya en Oslo hebben ook „duidelijk gemaakt dat deze onmogelijke wanhoopsboodschap in bepaalde omstandigheden – eenzaamheid, afwijzing, isolement, valse romantiek – kan uitgroeien tot een apocalyptisch visioen waarin mensen denken dat ze tot iets groots geroepen zijn en een daad moeten stellen”.

Spruyt is tot een vergelijkbaar inzicht gekomen als spijtopterend links drie decennia terug, zelfs in identieke woorden. Maar dit is voor de anti-islambeweging pas het halve werk, net zoals de grafrede van Rudi Dutschke dat in 1974 was. Uiteindelijk is niet vol te houden dat een visie wel „juist” is en alleen de middelen een „duivelse karikatuur” zijn.

Natuurlijk. Het doel kan worden herkend aan de middelen. De RAF escaleerde niet louter omdat ze, na de eerste brandstichtingen in 1968 in Frankfurt, geweld steeds sexier („schieten is neuken”) ging vinden. Het middel paste ook bij het doel de freiheitliche demokratische Grundordnung omver te schieten. De sympathisanten van Breivik zouden nu zo’n weg kunnen gaan. Dit abc van de politieke praktijk in de jaren zeventig geldt nog steeds. De middelen zijn altijd een voorafspiegeling van het doel. Wie met geweld werkt, werkt aan een gewelddadige maatschappij.

Maar daar blijft het niet bij. Het omgekeerde geldt ook. In het doel verschuilen zich de middelen. Een beweging die revolutionaire ambities heeft, komt er vroeg of laat achter dat reformistische methodes vaak onvoldoende zijn. En moet dan kiezen: voor ultieme pretenties en dus navenante middelen óf voor een bescheiden politiek en compromissen.

Geert Wilders kan wel proclameren dat hij de strijd tegen de islamisering op democratische wijze voortzet. Maar ook hij ontkomt niet aan de vraag of zijn politieke doel van een islamloze maatschappij wel democratisch kán worden bereikt. De niet schietende ‘sympathisanten’ van de RAF hebben na hun bekering tot de vrije democratische rechtsorde ook geen klasseloze samenleving gerealiseerd. Doel en middel zijn nu eenmaal verweven.

Spruyt is één stap van die notie verwijderd. Nog in 2005 citeerde hij een politieke leermeester instemmend zo: „De enige legitieme vorm van politieke oppositie kan uitsluitend buitenkamers plaatsvinden”. Maar deze week omarmde hij juist de klassieke politiek. Spruyt heeft de weg naar de binnenkamers teruggevonden. PvdA-leider Job Cohen zei deze week dat „woorden er toe doen”. Spruyt schreef in Binnenlands Bestuur dat „retorica niet onschuldig is”.

Nog even en Bart Jan Spruyt voegt zich straks – net als oud-RAF-advocaat Otto Schilly in 1989 lid werd van de SPD – bij het CDA. Het is nu te veel gevraagd van de radicaal conservatieve ideoloog Spruyt die de visie van de anti-islambeweging „goed en juist” vindt. Maar het zou wel een parallel zijn tussen toen en nu.

Hubert Smeets is redacteur van NRC Handelsblad en historicus.