Geweld in woord en daad

Bijna alle terroristen zijn schatplichtig aan de Russische anarchist Bakoenin (1814-1876) en de Duits-Amerikaanse atheïst Johann Most (1846-1906). Bakoenin schetste medio negentiende eeuw het „kwaad” als een „historische noodzaak”. Most, die kort lid was van de Rijksdag maar afstand nam van het ‘parlementarisme’, ging verder met het concept „propaganda van de daad”. Ook Breivik is hun kind. Zijn daad was „gruwelijk maar noodzakelijk”, plagieerde de Noor.

Met deze theorie én praktijk bewees Breivik weer eens dat geweld niet exclusief links, rechts, religieus of seculier is. Ideologisch gezien kan terreur alle kleuren aan de rand van het spectrum aannemen.

Maar dat wil niet zeggen dat het in alle tijden even heftig voorkomt. Terroristen gedijen vooral in een context van ideologische polarisatie tussen politieke stromingen, bevolkingsgroepen of generaties. Naarmate de terroristen harder toeslaan, groeien de spanningen. En lopen ze uit de hand omdat klassieke bruggenbouwers geïsoleerd raken.

De liberale eurocommissaris Malmström waarschuwde daar deze week terecht voor. Op haar blog sprak ze niet alleen haar zorg uit over de „succesvolle retoriek van xenofobe partijen”, maar kritiseerde ze ook dat er „te weinig leiders zijn die opkomen voor het belang van een open, democratische samenleving”. Impliciet hekelde zij de Europese regeringsleiders, zoals premier Rutte, die na hun eerste condoleances zwegen, althans publiekelijk.

Geen misverstand. Malmström deed geen poging om de schuld van Breivik uit te smeren naar politici die part noch deel hebben aan de daad zelf. Ze bedoelt slechts dat de klassieke partijen zich harder moeten opstellen tegen de nieuwe partijen die macht veroveren met ideologieën die antiimmigratie en anti-islam zijn.

Al tien jaar hebben nationalistische of soms zelfs xenofobe politici, die de rechts- en verzorgingsstaat exclusief voor het eigen volk willen houden, de wind mee. Zie de stembusresultaten van het Franse Front National (15%), de Noorse Vooruitgangspartij (22%), de PVV (15%), de Deense Volkspartij (14%) of de Griekse Volksorthodoxie (6%).

Maar is die groei een voedingsbodem of dempt hij de radicalisering juist? Veel politicologen tenderen naar het laatste. De socioloog Koopmans ziet zelfs bij groei van electorale kracht van radicaal conservatieve partijen een afname van het geweld van extreem-rechts. Het populisme kanaliseert de boze burger eerder dan dat het ze opjut. Maar daarmee is niet alles gezegd. Ideologische polarisering biedt wel degelijk een context waarin geweld kan broeien. Die anti-partijen praten radicalere groepjes immers naar de mond.

De ervaringen met de Rote Armee Fraktion (RAF) in Duitsland zijn nog steeds actueel. In de jaren zeventig groeide daar het inzicht dat deze beweging, die geweld gebruikte of vergoelijkte, uit verschillende cirkels bestond. De daders en hun volgelingen die met bankovervallen voor geld zorgden. De helpers die slaapadressen faciliteerden. De sympathisanten die pamfletjes verspreidden. En de ideologische exegeten in de academische en journalistieke wereld in de buitenste ring.

Toenmalig politiechef Herold, die veel begreep van dit Umfeld, zette daarom een systeem op om deze kringen in kaart te brengen en uit elkaar te trekken: Rasterfahndung. Nationale inlichtingendiensten en Europol, dat afgelopen week een taskforce voor de anti-islamitische terreur heeft opgezet, kunnen er hun voordeel mee doen. Maar deze aanpak is niet zonder risico voor de rechtsstaat. De verleiding kan groot worden de daadwerkelijke schuld van daders en medeplichtigen op één hoop te gooien met de morele schuld van meelopers of schrijfkamerideologen. In het politieke debat mogen die laatsten worden aangesproken. Maar in justitiële zin moet de grenzen tussen doen en denken scherp worden bewaakt. Het is een wankel evenwicht.