Games niet relevant in het Noorse drama

Filosoof Hans Schnitzler en hoogleraar rechtsfilosofie Wouter Veraart geven drie hoofdoorzaken van wat zij noemen de ‘killing spree’ in Noorwegen: games, Facebook en media in hun algemeenheid (NRC Handelsblad, 25 juli).

Games zijn echter niet relevant in deze zaak. En de auteurs geven zelf aan waaróm niet: ze halen Mohammed B. en Karst T. erbij. Er bestaan geen games waarin je een briefje met een mes op iemands borst moet planten, er bestaan geen games waarin je je auto door het publiek moet rammen. Van Anders Breivik en Tristan van der V. is bekend dat ze schietspelletjes speelden, dus daar zullen de heren wetenschappers op doelen. Maar dat betreft slechts de helft van de voorbeelden en is dus geen gemene deler. Ook games waarin je op een eiland kinderen moet doodschieten of in een winkelcentrum zonder enige aanleiding om je heen moet schieten, bestaan niet. Het noemen van games is simpelweg onzin.

Verder vindt de overgrote meerderheid van de 16 tot 40-jarigen in Europa het leuk berichten te posten op Facebook of online een spelletje te spelen met vrienden (80 tot 90 procent van de Nederlandse jeugd speelt spelletjes, zo blijkt uit onderzoek). Een tijdverdrijf dus dat deze daders gewoon delen met hun leeftijdsgenoten. Geen afwijkend gedrag en dus óók niet relevant.

De auteurs betogen dat de ‘killing sprees’ zoals in Noorwegen een product zijn van onze hoogtechnologische samenleving. Alsof er in de games- en Facebookloze delen van de wereld geen moordpartijen plaatsvinden. Het betoog is er een vanuit de onderbuik, vanuit angst voor het nieuwe.

Een analyse van de dieper liggende oorzaken van dit soort gruwelijk geweld? Heel belangrijk! Maar dan wel graag een wetenschappelijke.

Matthijs Dierckx

Uitgever en medeoprichter van het vakblad voor de Nederlandse gamesindustrie, Control