Anders Breivik kent zijn geschiedenis niet

Terreur loont zelden en kan zelfs contraproductief werken. Daar kwamen de eerste terroristen al achter. Vaak keert het volk zich tegen zijn ‘bevrijders’, schrijft Bart Funnekotter. Korte geschiedenis van het terrorisme.

Meer openheid, meer democratie. Dat is volgens de Noorse premier Stoltenberg de enige juiste reactie op de terreurdaad van Anders Breivik. Breiviks doel, een halt toeroepen aan de door ‘cultureel-marxisten’ in gang gezette ‘islamisering van Europa’, lijkt met het door hem aangerichte bloedvergieten voorlopig niet dichterbij gekomen.

Breivik was gefascineerd door de geschiedenis, blijkt uit het manifest dat hij de wereld instuurde. Als hij ook wat begrepen had van wat hij las, dan had hij geweten dat terrorisme bijna nooit loont. En vaak zelfs contraproductief werkt.

Het begrip ‘terreur’ is afkomstig uit de Franse Revolutie, waar de Jacobijnen in 1793 en 1794 met behulp van massa-executies hun greep op de macht trachtten te verstevigen. En hoewel het recente verleden ook voorbeelden kent van door de staat georkestreerde terreur (Stalin, Hitler, Mao), verstaan we onder terrorisme tegenwoordig wat anders.

Historicus Michael Burley stelt in zijn boek Blood and Rage. A Cultural History of Terrorism (2008) dat er meer dan honderd definities in omloop zijn van het begrip terrorisme. Een aantal elementen komt in al die definities terug: terrorisme is een tactiek die vooral wordt gebruikt door niet-statelijke actoren, om zo angst te zaaien en daarmee het gebrek aan legitieme politieke macht te compenseren.

De eerste terroristen die, grosso modo, onder deze definitie vallen, zijn de sicarii, zo genoemd naar hun favoriete wapen de sica, een korte dolk. Deze groep vormde de meest extremistische vleugel van de Zeloten, een politieke beweging die een belangrijke rol speelde tijdens de Joodse Opstand tegen de overheersing van de Romeinen (66-73 n. Chr.)

De sicarii hadden het vooral gemunt op gematigde Joden, die in hun ogen heulden met de Romeinen. Deze ‘verraders’ werden bij voorkeur op klaarlichte dag en op een drukke plek vermoord. Daarnaast vernietigden de sicarii het huis van de hogepriester, staken gebouwen in brand waar belangrijke administratie lag opgeslagen en saboteerden de watertoevoer van Jeruzalem.

Al dit geweld mocht niet baten. De Romeinen vernietigden in 70 Jeruzalem en de Tweede Tempel. De laatste Zeloten, die zich hadden teruggetrokken in het bergfort Massada, sloegen in 73 de hand aan zichzelf.

De shi’itische sekte van de Assasijnen was ruim tien eeuwen later een langer leven beschoren. Zij pleegden moordaanslagen op belangrijke personen die niet dezelfde vorm van islam (het ismaëlisme) aanhingen als zijzelf. Daarbij maakten ze geen onderscheid tussen moslims en christen. Tot twee keer toe probeerden ze bijvoorbeeld Saladin te vermoorden, de held van de Arabische wereld die Jeruzalem had terugveroverd op de kruisvaarders.

De mongolen en mammelukken maakten in het midden van de dertiende eeuw een eind aan het optreden van de Assassijnen, overigens zo genoemd omdat hun eerste leider Hassan-i Sabbah hen met hasjiesj in hogere sferen zou hebben gebracht. Hoewel zijn sekte talloze succesvolle moordaanslagen pleegde – en het Engelse woord voor huurmoordenaar assassin opleverde – ging zijn versie van de islam kansloos ten onder.

De geboorte van wat we als ‘modern terrorisme’ zouden kunnen omschrijven, vond plaats in de negentiende eeuw. Ten grondslag hieraan ligt volgens terrorisme-expert Walter Laqueur het gedachtegoed van de anarchist Michail Bakoenin. In 1869 schreef deze: „Wij erkennen geen andere vorm van actie dan vernietiging, hoewel we toegeven dat de manier waarop deze vorm van actie zich manifesteert steeds gevarieerder zal zijn – gif, het mes, het touw, etc.”

De meeste weerklank vonden Bakoenins woorden in zijn vaderland Rusland. Daar pleegde de radicaal-linkse beweging Narodnaja Volja (De wil van het volk) zes mislukte aanslagen op tsaar Alexander II, voordat de zevende aanslag, met een bom, hem in 1881 het leven kostte.

De hervormingen van de tsaar die op stapel stonden, zoals de oprichting van een parlement, werden door zijn opvolger Alexander III onmiddellijk geschrapt. Bijna alle leden van Narodnaja Volja werden in de jaren na de aanslag opgepakt.

Ook hier bereikten de terroristen precies het tegenovergestelde van wat hen voor ogen stond: de autocratie van de tsaar bleef voortbestaan tot de Russische revoluties van 1905 en 1917. De mannen en vrouwen die voor deze omwentelingen verantwoordelijk waren, werden overigens wel sterk geïnspireerd door de Narodovolsti.

De rest van bevolking moest weinig hebben van de terroristen. Dimitri Karakozov, de man die de eerste aanslag op Alexander II pleegde, werd overmeesterd door een aantal voorbijgangers van gewone komaf. „Gekken, ik doe dit voor jullie!”, had hij geroepen.

Het terrorisme van de twintigste eeuw (RAF, IRA, Rode Brigades) was nauwelijks succesvoller dan dat van de sicarii en hun opvolgers. Laqueur signaleert in zijn boek A History of Terrorism (2001) dat deze bewegingen paradoxaal genoeg opereerden in landen met relatief veel vrijheid en weinig ongelijkheid. „Juist landen met de minste politieke participatie en het meeste onrecht zijn in onze tijd het meest gevrijwaard van terrorisme.”

De prijs voor het voorgoed uitbannen van terreur is dus het opgeven van de waarden die Europa maken tot wat het is. In Noorwegen, en elders, wil men daar niet aan. De schaduwzijde van die standvastigheid is dat er in de toekomst onvermijdelijk een nieuwe Anders Breivik opstaat, hoe zinloos ook zijn terreur zal blijken.

Bart Funnekotter is redacteur van NRC Handelsblad en historicus.