'Als ik de feiten ken, kan ik het Maasstad helpen'

Cardiochirurg Léon Eijsman is vanaf maandag tijdelijk directeur van het Maasstad Ziekenhuis. Hij gaat bestuursvoorzitter Paul Smits helpen met de bestrijding van de bacterie die daar al maanden rondwaart.

Een krantenlezer is Léon Eijsman (65) niet en naar het Journaal kijkt hij ook niet vaak. Hij weet, zegt hij, nauwelijks wat er de afgelopen weken allemaal gezegd en geschreven is over het Maasstad Ziekenhuis. „Dat komt goed uit. Ik ben niet bevooroordeeld.”

Vierentwintig jaar leidde hij de cardiochirurgische afdelingen van het AMC, het VUmc en het OLVG in Amsterdam en daarnaast deed hij ook ander bestuurlijk werk, onder meer bij de artsenorganisatie KNMG. In 2006 stelde hij, als interim-manager, orde op zaken op de cardiochirurgische afdeling van het Radboud Ziekenhuis in Nijmegen. De zorginspectie had het ziekenhuis toen verboden om nog hartoperaties bij volwassen uit te voeren omdat ‘de kwaliteit onder de maat’ was.

Waar begint u maandag mee?

„Wat u ook zou doen: luisteren, kijken. Wat is er op welke datum gebeurd en wat valt daaruit te concluderen? Ik ben mathematisch ingesteld, in mijn vrije tijd studeer ik wiskunde. Ik wil de feiten, geen meningen. Als ik de feiten ken, weet ik wat ik moet oplossen.”

In het Maasstad Ziekenhuis vallen de hygiënisten niet onder de verantwoordelijkheid van de arts-microbiologen. Is dat het probleem? In het Radboud was dat wel zo. Daar vielen de mensen die de hartlongmachine bedienden niet onder de chirurgen.

„In het Radboud was het één van de problemen, niet de hoofdzaak. Er was veel meer aan de hand.”

Zoals altijd?

„Nee, kijk naar Enschede. Er kan ook één oorzaak zijn.” Daar was het een neuroloog die disfunctioneerde en uiteindelijk vervolgd werd wegens het stellen van verkeerde diagnoses.

Directeur Paul Smits en de voorzitter van de medische staf in het Maasstad geven de schuld aan één of enkele arts-microbiologen.

„Ik kan er geen zinnig woord over zeggen. Ik weet wel dat er in Nijmegen ook van alles over artsen gezegd werd: die zou niet goed zijn en die werkte waardeloos – je was je leven niet zeker. Ik stelde me toen de vraag of die artsen in mijn eigen ziekenhuis wél goed zouden functioneren. En andersom: zouden de Amsterdamse artsen in Nijmegen dezelfde problemen hebben gekregen? Op beide vragen was het antwoord ja. Conclusie: de structuur was niet goed. Die hebben we toen verbeterd en sindsdien gaat het zeer goed.”

Hoe deed u dat toen?

„Het begint ermee dat je iedereen laat merken dat je oprecht het beste wil. En ik ga ervan uit dat bijna alle mensen alle dagen weer op pad gaan om het beste te doen. Als je hebt vastgesteld waar het fout gaat, dan hou je mensen een spiegeltje voor: zo en zo kan het beter. Dat hoeft helemaal niet in al te onaangename woorden.”

Hoe lang heeft u nodig?

„Dat weet ik niet, maar ik neem de tijd die nodig is. Zoiets verdient het om zeer zorgvuldig onderzocht te worden. En het moet écht stoppen, wat er ook aan de hand is. Ik ga erheen om patiënten te helpen.”