Aan welke kant stonden wij, Polen?

Polen zijn gewend zichzelf als slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog te zien. Socioloog Jan Gross dwingt zijn landgenoten tot zelfonderzoek. Hij schrijft hoe ondergedoken Joden door Polen werden opgespoord, afgeperst, beroofd, uitgeleverd of vermoord.

In this undated photo provided by author Jan Gross, Polish villagers are purportedly shown during a search for gold and other treasure amid the human remains of Jews killed at the Treblinka death camp. The photograph serves as the starting point for a new book, "Golden Harvest," which is sparking controversy in Poland. A Polish publishing house defended its decision Tuesday Feb 8 2011 to publish a book that has sparked controversy with its argument that Poles actively profited from Jewish suffering during the Holocaust. The book by Jan Gross and Irena Grudzinska Gross, argues that rural Poles sometimes sought financial gain from Jewish misfortune in a variety of ways, from plundering Jewish mass graves to ferreting out Jews in hiding for reward. (AP Photo) ASSOCIATED PRESS

Op een vergeelde foto uit de jaren veertig poseren boeren uit het Poolse dorp Wolka Okraglik bij Treblinka met de politiemannen die hen op heterdaad betrapten. Voor hun voeten liggen schedels en beenderen. Nog jaren na de oorlog groeven dorpelingen uit de omgeving van Treblinka naar kostbaarheden bij de massagraven waar honderdduizenden Joden werden geëxecuteerd. De Poolse krant Gazeta Wyborcza bracht het verhaal ‘Goudkoorts in Treblinka’ drie jaar geleden. Oude boeren vertelden hoe ze goud vonden in de modder, en mandenvol horloges. „Mijn zwager, die bofkont, vond een briljant zo groot als je nagel!”

„Er liggen mensenbeenderen en persoonlijke bezittingen. De bevolking, die rijk is geworden aan de goudhandel, berooft elkaar”, noteerde een lid van de hoofdstedelijke Joodse Historische Commissie een paar jaar na de bevrijding.

„Op mijn wei zag ik een gouden ring aan een plantje hangen”, vertelt een boer. „Toen hebben we het veld omgespit en zie, onze neef kon een winkel in Warschau openen en voor ons schoot ook een kleinigheid over.”

Op een paar geijkte commentaren na („alweer een onterechte aanval op Polen”) vond het verhaal in de krant nauwelijks weerklank. Maar afgelopen winter barstte de bom. Geërgerd door de stilte die op het verhaal volgde, schreef de New Yorkse Joods-Poolse socioloog Jan Gross met zijn vrouw het boek De Gouden Oogst over het gigantische jatwerk rondom de Holocaust .

Laat er geen twijfel over bestaan dat de Duitsers de hoofdverantwoordelijken zijn voor de massamoord, zegt Jan Gross. Zijn boek gaat over de spontane acties van de Polen in de marge van de Holocaust. Hij beschrijft hoe verlaten huizen van Joden werden geplunderd, hoe ondergedoken Joden werden opgespoord, afgeperst, beroofd en uiteindelijk uitgeleverd of vermoord. Boeren hielden drijfjachten op Joden die zich verstopt hadden in de bossen. Ze verkochten water aan de uitgedroogde mensen in de treinen naar de kampen. En na de oorlog werden kampterreinen omgespit op zoek naar goud en kostbaarheden.

De Gouden Oogst verscheen tegelijk met twee andere boeken over hetzelfde onderwerp. De uitgeverij wordt verguisd en in de pers en op internet stak een storm van verontwaardiging op. De teneur: weer zijn de Polen het slachtoffer van de geschiedenis, terwijl hun katholieke aard er toch garant voor staat dat zij anderen nooit iets slechts zouden kunnen aandoen! Jan Gross port regelmatig in deze Poolse zelfgenoegzaamheid. Tien jaar geleden publiceerde hij een boek over het dorp Jedwabne, waar Polen in 1941 een paar honderd Joden in een schuur opsloten en levend verbrandden. De landelijke polemiek die hierop volgde leek op een gigantische groepstherapie. Uiteindelijk accepteerden de Polen de morele verantwoordelijkheid voor Jedwabne en voor een naoorlogse pogrom in Kielce, maar wel in de overtuiging dat dit nare uitzonderingen waren. Met zijn nieuwe boek maakt Gross ook een einde aan deze illusie.

Beesten

Historici onderscheiden drie fasen in de Holocaust. Het opsluiten en uitputten van de Joden in de getto’s. De massavernietiging. De jacht op hen die aan de dood ontsnapten.

Poolse historici schatten dat er aan het eind van 1942 nog zo’n 200.000 tot 250.000 Poolse Joden, nog geen 10 procent van de vooroorlogse Joodse bevolking, in was geslaagd te ontsnappen, onder te duiken, zich te verstoppen. Bij de bevrijding waren er van hen nog maar 50.000 tot 60.000 in leven. Een deel moet door ziekte, uitputting en honger zijn gestorven. De rest zat verstopt in stallen, schuren en kelders. Hun lot lag in de handen van Poolse boeren. Maar de oorlog maakte de boeren tot beesten. En de Kerk zweeg in alle talen.

Wat Jan Gross openbaart, is niet nieuw. Deze kennis sluimerde in de Poolse achterhoofden, het dook op in tafelgesprekken, bijvoorbeeld in mijn ouderlijk huis. De verwildering van het Poolse platteland onder de Duitse bezetting was onvoorstelbaar. Nu wordt deze wetenschap de bevolking recht in het gezicht gesmeten. Met zijn boek heeft Gross de Polen razend gemaakt. Maar zonder deze razernij zou het onderwerp nooit de studeerkamers van de geleerden hebben verlaten. Elke Pool moet nu aanhoren dat de ondergedoken Joden op een gegeven moment banger waren voor de Polen dan voor de Duitsers. Polen moeten erkennen dat zij niet alleen slachtoffers, maar ook daders zijn geweest. „Aan welke kant stonden we eigenlijk”, vroegen sommige kranten zich dit voorjaar af.

Twee kampen

Bij deze correctie op het heroïsche Poolse zelfbeeld tekenen zich onmiddellijk de twee vaste Poolse kampen af. Polen kent een open, kritisch, liberaal, Europees gericht volksdeel, en een nationalistisch-katholiek, anti-Europees en verongelijkt deel, grofweg de sympathisanten van de rechtse PiS-partij van de broers Kaczynski.

De reacties uit het conservatieve kamp waren voorspelbaar. De ontkenningen variëren van verontwaardigde patriottische uiteenzettingen in de pers tot ordinair antisemitisme op de internetfora. Maar hoe schokkend de onthullingen van Gross zijn, moge blijken uit het feit dat zelfs sociaal-democraten spreken van een ‘schandalige belediging van de Polen’.

Op zich zijn deze protesten begrijpelijk. „De mens heeft in zijn leven een elementair vertrouwen in de wereld nodig en de confrontatie met een geconcentreerde wreedheid berooft ons van deze zekerheid”, schrijft antropologe Joanna Tokarska-Bakir. Het gaat je, met andere woorden, niet in de koude kleren zitten. Als je zo’n enorme lading verschrikkingen te verwerken krijgt, kun je niet verdergaan alsof er niets is gebeurd. Mensen gaan zich verdedigen, worden agressief. Om het niet te hoeven geloven, zoeken ze de fout bij de boodschapper.

Geschiedenis is ‘hot’ in Polen. Historici zijn beroemdheden met de status van Lou de Jong. Kranten maken zich druk over hun karaktereigenschappen en vragen zich af of die soms hun mening over de Joodse kwestie beïnvloeden. Zijn die historici wel objectief? Zijn al die intellectuelen niet al te onderdanig? Wat zijn hun motieven? Zelfhaat? Minachting? Dat gekissebis heeft soms iets onzedelijks. Ook rechtse Polen meten zich het aureool aan van strijders tegen politieke correctheid.

Solidariteit

Op het platteland zien de zaken er eenvoudiger uit. Het Poolse dorp moderniseert in snel tempo, maar in fundamentele zaken worden de geesten zoals altijd eerst geregeerd door groepsbelang en daarna door de Kerk. De dorpssolidariteit staat al eeuwenlang op de eerste plaats. Verklikkers worden niet getolereerd.

Bijna zeventig jaar zweeg kolonel Tadeusz Markiel over wat hij als twaalfjarige jongen tijdens de oorlog in zijn dorp had gezien. De kleinkinderen van de daders zouden hem nooit vergeven, zei hij. In 1942 zag hij in het dorp Gniewczyna bij Jaroslaw hoe zijn Joodse buren lang door de lokale vrijwillige brandweer werden afgeperst. In mei 1942 werden ze in het huis van de Jood Leib Trintsjer opgesloten, geslagen en verkracht. Het dorp liep uit om te kijken wat er met de Joden gebeurde. Kinderen verlieten uit nieuwsgierigheid hun schoolbanken, zo staat in het proces-verbaal. Elke dorpeling wist precies wie daarbinnen met de Joden bezig was. Na twee dagen hadden zij niets meer om hun moordenaars mee af te kopen. Toen riepen de brandweerlieden de Duitse politie, die alle achttien Joden ter plekke doodschoot.

Niemand is voor die moord ooit berecht. Tadeusz Markiel vreesde dat het verhaal in de vergetelheid zou raken. In 2008 publiceerde hij zijn herinneringen in het fatsoenlijke katholieke tijdschrift Znak. Zo belandde het afgelegen gat Gniewczyna op de voorpagina’s van de kranten. De historica Alina Skibinska van het Pools Centrum van Holocaust Research bood Tadeusz Markiel haar hulp aan bij het schrijven van een boek. Zelfs deze ervaren historica was verbijsterd over de geschiedenis. Hoe is het mogelijk dat het stalinistische staatsapparaat er niet in slaagde om de schuldigen te vinden? Er was onvoldoende bewijs, niemand noemde ooit namen. Het platteland stond ondoordringbaar als een muur. Niemand werd vervolgd.

Tadeusz Markiel leeft niet meer, maar zijn boek wordt binnenkort gepubliceerd. Na de oorlog zijn er ongeveer 20.000 rechtszaken geweest over verschillende vormen van collaboratie, onder meer over de moord op de Joden in Gniewczyna. Dit verhaal herhaalt zich in honderdvoud door heel het land. Natuurlijk zijn er ook voorbeelden van Joden die door Polen zijn gered, maar die aantallen zijn veel lager dan men lang heeft gedacht. Een Joodse vrouw uit hetzelfde Gniewczyna werd gered door een Poolse jongen die verliefd op haar was. Na de oorlog stuurt zij hem vanuit Israël een machtiging voor haar familiebezittingen in het dorp. Met de politie gaat hij langs de huizen van de moordenaars. Hier eist hij een beddensprei terug, daar een paar schoenen, kleding, meubels, tafelgerei. Alles is genoteerd in het proces-verbaal. „Ik heb uitzonderlijk veel materiaal over de spullen van Joden”, zegt Skibinska. Ruzies over kleding van mensen die niet meer in leven zijn.

Intussen is dit voorjaar in het dorp Gniewczyna een aantrekkelijke kavel van zeshonderd vierkante meter te koop aangeboden. Het grondstuk ligt mooi centraal naast de kerk, er is water, riolering, gas, elektra, en een bouwval. De eigenaar mompelt nog iets onduidelijks over Joden die daar in de oorlog gevangen zouden hebben gezeten. Hij weet de naam van de vroegere eigenaar nog: Leib Trintsjer. Hier zaten de achttien vermoorde Joden gevangen. De dorpelingen willen de kavel niet hebben, maar voor een stedeling is het een echte buitenkans! Een droomplek voor een zomerhuis met een schitterend uitzicht. Voor nop, benadrukt de eigenaar. Maar de prijs daalt nog steeds. Kort geleden was het 15.000 zloty. Nog geen 4.000 euro.

Het verhaal van Tadeusz Markiel en andere door hem opgetekende verhalen over de Joden van Gniewczyna zijn te vinden op www.tesknie.com/index.php?id=414