Wegtrekken voor honger kan niet

De voedselschaarste van 14 miljoen mensen in de Hoorn van Afrika is mensenwerk. Op drift door droogte en geweld komen Somaliërs in Kenia in een ontwrichte nomadensamenleving.

Photo made on July 23, 2011 shows a child admitted for severe malnutrition being attended at a Banadir hospital in Mogadishu. The United Nations on Monday urged "massive" action to save millions of people in the drought-stricken Horn of Africa region, as France announced donor countries would meet in Nairobi this week. "The catastrophic situation demands massive and urgent international aid," said Jacques Diouf, head of the UN Food and Agriculture Organisation (FAO), which hosted Monday's emergency meeting of UN aid agencies and charities in Rome. "It is imperative to stop the famine," said Diouf, after the United Nations this month declared a famine in two insurgent-held areas of southern Somalia. from humanitaria. AFP PHOTO/ Mustafa ABDI AFP

De ene helft van Kenia weet nauwelijks van het bestaan van de andere helft. Een ambtenaar uit de groene hooglanden vreest de gele noordelijke laagvlaktes als het „Siberië van Kenia”, een verbanningsoord waar „onhandelbare nomaden” wonen. „We leven hier een onzichtbaar bestaan”, zegt de gestrande nomade Yussuf Ammo Halake in het gehucht Garba Tulla. „Alleen bij een noodsituatie blijken we enige aandacht van de buitenwereld waardig.”

De oude vrouw Busuke drinkt thee met vette melk, haar enige maaltijd vandaag. „Ajaijai, de wereld eet ons nomaden op”, zegt ze over de droogte die twee jaar geleden begon. Lang geleden werd haar eerste zoon op een trektocht driehonderd kilometer oostwaarts geboren, haar tweede kind tweehonderd kilometer noordwaarts. „Toen waren wij nomaden altijd op stap. We ervoeren hongerperiodes, maar konden met ons vee alle kanten uit. We hebben onze vrijheid verloren. Vroeger waren er minder mensen en gingen er meer dood. Nu zijn er meer mensen en gaan er minder dood. Omdat we soms voedsel uit zakken krijgen.”

Wie naar de veehouders van Noord-Kenia luistert, hoort geen klaagzang over het veranderende klimaat, over de steeds sneller terugkerende droogtes en de honger. De nomaden jammeren over gebrek aan veiligheid en regels, over uitblijven van ontwikkeling, over verlies van land aan boeren en wildparken, over marginalisering van hun woongebied. „Als wij de hooglanden intrekken om granen te kopen, zijn er wegversperringen waar politie naar onze identiteitskaarten vraagt, alsof we een ander land binnengaan”, verzucht Halake. „Dat toont hoe we tweederangs burgers zijn in Kenia.”

De honger in de Hoorn van Afrika, waar 14 miljoen inwoners onder ernstige voedseltekorten lijden, komt niet van boven, maar is het gevolg van mensenhanden. In de hongergebieden wonen vrijwel alleen veehouders. In het woongebied van het Boranavolk bij Garba Tulla verzamelen zich de drop-outs van het bedreigde nomadisme. Isac Kontoma hurkt op een plastic mat, wrijft over zijn rode ringbaardje en lacht naar zijn mollige echtgenote Amina, die met haar mobieltje video-opnames maakt van een groepje magere geiten in een stofwolk. Zijn familie zit vast in het saaie leven van Garba Tulla. „Ik verlang naar de tijd in de bush”, vertelt Isac. „Er bestond geen angst, je vreesde alleen de wilde dieren. Nu moet je mensen en geweren vrezen. Iedereen wil ons vee stelen. Daarom kwam er een einde aan onze trektochten.”

Zonder vee is er geen leven. „Droogtes konden we altijd weerstaan”, valt Amina haar man bij, „het probleem is het gebrek aan gezag. De traditionele ouderen van onze stammen regelden wie waar mocht grazen, tegenwoordig laat de overheid iedereen overal naar toe trekken. Dat leidt tot gewapende conflicten. Zo raakten we ons vee kwijt en liep ons leven dood in Garba Tulla.”

Abdi Diba is ambtenaar van het ministerie van Veezaken in Garba Tulla. „Er zijn al mensen overleden en de helft van al het vee is gestorven in de afgelopen maanden”, vertelt hij, „de maximale capaciteit voor vee in dit droge gebied werd al lang geleden bereikt. Die koppige nomaden willen hun levensstijl niet veranderen, hun vee is hun trots.” Die visie op het nomadisme als een achterhaalde levenswijze van mensen die zich niet willen aanpassen aan de moderne tijd, is hardnekkig. „Onzin”, werpt Abduba Garbatu tegen, een jonge en afgestudeerde ex-nomade. „Ze zien ons ten onrechte altijd als aartsconservatief. De overheid geeft ons de middelen niet voor een ander bestaan.”

De armsten van Kenia leven in het schrale noorden. De Britse kolonisten bestuurden het uitgestrekte gebied na 1902 als „gesloten zone” en de Keniaanse regering trekt slechts een fractie van het ontwikkelingsbudget uit voor de nomaden. Het is er heet, droog en zanderig, het gebied leent zich niet voor landbouw als alternatief voor extensieve veeteelt. „Droogte toont hoe kwetsbaar we zijn”, zegt Abduba, „maar het uitblijven van de regen is niet de oorzaak van de crisis. Dat is het gebrek aan diversificatie in onze economie.”

De oplossing ligt in een betere planning. „We hebben geen invloed op het overheidsbeleid”, klaagt de plaatselijke politicus Fatima Galgelo Ali, „dat wordt gemaakt door machthebbers in de hoofdstad. Die zijn geboren in maïsvelden of onder een bananenboom. Ze kunnen zich niet verplaatsen in onze cultuur van veehouders, ze leven in een heel andere wereld.”

Fatima pleit voor meer veeartsen, medicijnen voor koeien, markten om geiten te verkopen, meer droombestendige koeienrassen, waterputten en een modern slachthuis. Het vee moet behalve voor zijn culturele waarden worden gehouden om winst te maken, nomaden moeten commerciëler worden.

Het lijken voor de hand liggende oplossingen in een gebied waar iedere economische activiteit om vee draait. Maar nog steeds ontbreekt het Noord-Kenia aan een abattoir waar nomaden hun beesten in geld kunnen omzetten. De aanleg van de eerste asfaltweg, al in de jaren zestig door de overheid toegezegd, is pas onlangs begonnen.

Er staat in de wijde omgeving vrijwel geen enkel stenen gebouwtje, er is geen elektriciteit, er klinkt geen mechanisch geluid. „Waarom is er wel altijd voor miljoenen noodhulp voor ons beschikbaar, maar niemand helpt ons om ons leven te veranderen?” vraagt Fatima zich af. „Ze doen alsof we bedelaars zijn.”

Tweehonderd kilometer ten oosten van Garba Tulla leven nomaden van het Samburuvolk. Onverwacht is er vandaag een bui gevallen. Bij zonsondergang als het vee de kraal binnendruppelt, opent de ziel van de nomade. Liefde staat op het gezicht van de jonge krijger Larush. „Het leven in de bush is prachtig”, neuriet hij. Geiten blèren. Een nomade heeft een sterke overlevingskracht. De blik van Larush dwaalt naar een jong geitenkind. Hij zoent het op de mond. „Droge tijden lenen zich niet voor oplossingen, die vinden we straks”, zegt hij. „Als de grote regens weer zijn gekomen.”