Verleden en toekomst zien elkaar in de culturele bocht

Hard, romantisch, exotisch. Elke wereldstad heeft zijn eigen imago. NRC Handelsblad gaat deze zomer op zoek naar de werkelijkheid achter het cliché van de wereldstad. Elke week een andere, op deze pagina’s en op zaterdag in de bijlage Lux. Deze week: Shanghai

De Chinese regisseur Jia Zhangke liet vorig jaar in Cannes zijn film I wish I knew zien, een portret van Shanghai tussen 1930 en 2010. In zijn film vertellen achttien mensen over hun stad waar het communisme opkwam, waar een culturele revolutie plaatshad en waar in de jaren negentig een complete nieuwe wijk verrees: Pudong. Achttien portretten van de stad, aan de hand van persoonlijke geschiedenissen. Al die verhalen worden verbonden door een constante: die van traditie versus vernieuwing. Nu is dat een bekend thema in Chinese kunst, maar bijzonder aan deze film is dat Zhangke het recente verleden behandelt, zoals de Culturele Revolutie. Naar verluidt was hij zelf verbaasd dat zijn film door de censuur kwam en zelfs werd getoond op de Wereldtentoonstelling vorig jaar in Shanghai.

Jia Zhangke (1970) is een belangrijke regisseur van de zogeheten zesde generatie Chinese filmmakers. Hij maakte I wish I knew om te laten zien dat de problemen van het huidige China wortelen in de moderne geschiedenis van het land. Om dit te illustreren koos hij voor Shanghai aangezien deze stad zo „nauw is verbonden met vrijwel alle belangrijke figuren uit de moderne geschiedenis van China’’.

I wish I knew verknoopt ingenieus allerlei lijntjes naar Shanghai. Neem Wang Peimin (1948), wier vader Wang Xiaohe in de jaren veertig lid was van de ondergrondse communistische partij. Hij werd in 1948 doodgeschoten door de politie in de Tilanqiao-gevangenis in Shanghai. Wang Peimin heeft een groot deel van haar leven besteed aan het achterhalen van informatie over haar vader. Of neem de actrice Rebecca Pan (1931) die vaak vrouwen vertolkt uit haar geboorteplaats Shanghai – in de films van regisseur Wong Kar-Wai en in Flowers of Shanghai van regisseur Hou Hsiao-Hsien uit 1999.

Niet toevallig staat op het affiche van I wish I knew de Bund, de historische kade aan de rivier de Huangpu. Traditie tegenover moderniteit is hier letterlijk afgebeeld. Als je kijkt naar de Bund-kant zie je een rij gerestaureerde koloniale panden van zo’n honderd jaar geleden. Veel art-decogebouwen: Shanghai heeft er ongeveer de meeste ter wereld. Dit was begin vorige eeuw het centrum van het koloniale Shanghai, met zijn banken, handelshuizen, kantoren en clubs – het tweede financiële centrum van de wereld. Let op de rode vlaggen die zijn geplant op ieder gebouw. De vlaggen zeggen: deze symbolen van het westerse imperialisme zijn nu van het communistisch China.

Aan de andere kant van het water ligt de moderne wijk Pudong, met honderden hoge kantoorgebouwen. Hier, aan de binnenkant van de bocht die de rivier maakt, zie je dat Shanghai de toekomst wil zijn. Westerse toeristen hebben vooral oog voor de historische Bund, maar Chinezen maken eindeloos veel foto’s van de futuristische gebouwen aan de overkant.

Pudong is vanaf de Bund te bereiken via een tunnel waar een treintje doorheen rijdt dat voetgangers naar de overkant brengt, onder de Huangpu-rivier door. Door de tunnel schieten felgekleurde psychedelische lichtpatronen en er klinkt altijd dancemuziek. Aan de Bund-kant komt het tunneltje uit ter hoogte van het Peace Hotel. Het werd in 1908 gebouwd als het Palace Hotel en ook daar kleeft geschiedenis aan de muren. In 1911 verbleef Sun Yat-sen hier, de grondlegger van het republikeinse China. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het bezet door de Japanners. Nu is het een vijfsterrenhotel.

De Bund speelt een rol in talloze films en boeken. Bijvoorbeeld in Empire of the sun van de Britse auteur J.G. Ballard (en verfilmd door Steven Spielberg), over een Brits jongetje in Shanghai dat in 1941, als de Japanners de stad zijn binnengevallen, zijn ouders kwijtraakt en in een werkkamp terechtkomt. Het verhaal is gebaseerd op Ballards eigen jeugd. Hij schreef erover in 1995 in The Sunday Times: „Shanghai in de jaren dertig was het Parijs van de Stille Zuidzee, een van de feestelijkste steden ter wereld.” En hij beschrijft hoe hij in 1941 vanaf de Bund stoomboten vol Europeanen de stad de rug toe zag keren.

In 2008 en 2009 werd de Bund grondig gerestaureerd. Op de gerestaureerde Bund anno 2011 zijn nog altijd banken gevestigd, maar ook restaurants, luxe warenhuizen en galeries. Bijvoorbeeld Gallery 18 van de Française Magda Danysz. De galerie, zegt Danysz, zit „precies op de plek waar de historische Bund en Nanjing Road elkaar kruisen en iedereen foto’s maakt van Pudong”. Ze noemt het een „iconische plek waar de geschiedenis de toekomst ontmoet en waar eigentijdse kunst zich geweldig laat bekijken”.

Een van de kunstenaars wiens werk in Gallery 18 hangt is Yang Yongliang. Hij is van de generatie van na de Culturele Revolutie en zijn werk wordt gekenmerkt door een artistieke vrijheid die bij vorige generaties Chinese kunstenaars nog niet gebruikelijk was.

Yang Yongliang werd geboren in 1980 in Shanghai. Hij studeerde in Hongkong waar hij onder meer de traditionele Chinese schilderingen bestudeerde. Dat zie je terug in zijn werk, bijvoorbeeld in On the Quiet Water en Heavenly City: als je door je wimpers kijkt, lijkt het op de dromerige landschappen van de traditionele Chinese inkttekeningen, de shui mo. Als je beter kijkt, zie je dat het is opgebouwd uit honderden digitale fotootjes van Shanghai. Veel hijskranen, bouwterreinen, elektriciteitsmasten, wolkenkrabbers. Het zijn verzonnen steden die Yongliang bouwt met zijn camera en laptop. Ze zijn een aanklacht tegen de snelle modernisering van zijn Shanghai.

Morgen in Lux: Shanghai aan het water