Toen mannen de baas speelden

‘Shocking’ heette destijds Mary McCarthy’s roman over vrouwen en seks. Ze was er voor die tijd zeer openlijk over. Ook over slimme vrouwen die hun hoofd lieten koloniseren door mannen.

Mary McCarthy: De groep (The Group). Vert. J.F. Kliphuis en R.W.M. Kliphuis. De Arbeiderspers, 408 blz. €19,95

‘Priss knikte braaf. Tot onafhankelijk denken leek ze niet in staat.’

Met deze pennestreek karakteriseert Mary McCarthy een van de hoofdpersonen uit haar onlangs heruitgegeven roman De groep. De manier waarop Priss hier wordt neergezet, raakt de kern van het verhaal. McCarthy beschrijft de lotgevallen van acht vriendinnen die in 1933 afstudeerden aan het prestigieuze women’s college Vassar in New York, dezelfde universiteit waaraan in datzelfde jaar McCarthy haar graad behaalde.

Tweehonderd bladzijden eerder had ze Priss nog geïntroduceerd als een ondernemende en zelfstandige geest – een liberal; een jonge vrouw die als een van de weinigen in haar gegoede milieu een supporter was van Roosevelts New Deal. In de paar jaar tussen pagina 36 en pagina 262 heeft Priss haar baan verruild voor een man en een kind, en kennelijk heeft ze ergens onderweg ook haar brein ingeleverd.

Priss’ vriendinnen, die al even energiek en hoopvol de grote wereld instapten als zij, vergaat het nauwelijks beter. De groep begint met het trouwen van Kay en eindigt met haar begrafenis, zes jaar later. Zelfmoord? Of viel Kay per ongeluk uit het raam van de20ste etage van de Vassarclub? Dat laat McCarthy in het midden. Duidelijk is wel dat Kay’s triomfantelijke zelfverzekerdheid na enkele jaren huwelijk met een mislukte toneelschrijver – die door zijn vrouw, en zichzelf, wordt beschouwd als een genie – net zo is gekrompen als Priss’ denkvermogen.

Voor de Amerikaanse schrijfster en essayiste Mary McCarthy (1912-1989) was het inleveren van je onafhankelijke geest een doodzonde. Onafhankelijk denken was haar reden van bestaan. McCarthy was een klassieke intellectueel. In de openingszin van haar memoires How I Grew (1986) onderscheidde ze zelfs twee verschillende geboortejaren: ‘I was born as mind in 1925, my bodily birth having taken place in 1912.’ Ze publiceerde zo’n twintig boeken en honderden artikelen voor invloedrijke bladen als Partisan Review, The Nation, Harper’s en The New York Review of Books. In de VS was ze als geëngageerd, maar niet politiek gebonden commentator een publiek persoon. In Nederland verwierf ze eind jaren zestig bekendheid met haar publicaties over de oorlog in Vietnam. De groep ging daaraan vooraf. De roman kwam uit in 1963, nadat de schrijfster al in 1954 een hoofdstuk, naar mijn smaak het beste, had gepubliceerd in Partisan Review. Hoofdpersoon daarvan is de aardige Dottie. Vanuit de overtuiging dat dit een modern meisje past, gaat Dottie naar bed met een man die ze net daarvoor heeft ontmoet. Hij laat haar nadrukkelijk weten niet van haar te houden en eist diezelfde houding – wel seks, geen liefde – van haar. Bovendien wil hij dat ze zich een pessarium laat aanmeten. Dat doet ze.

Rubberen spuit

McCarthy maakt goed duidelijk dat het moed vereiste om als ongetrouwde jonge vrouw binnen te stappen in een armoedige voorbehoedsmiddelenkliniek in het New York van begin jaren dertig (anticonceptie was nog lang niet overal gelegaliseerd). Ze laat ons Dottie’s hele traject ondergaan: het gesprek met de vrouwelijke arts; het onaangename aanmeten en onder toezicht oefenen hoe je zo’n onhandige rubberen ring goed om de baarmoedermond krijgt; de uitleg hoe je het ding moet onderhouden (na zorgvuldig wassen met talkpoeder in een doosje bewaren). En dan moest ze, om echt zeker te zijn, ook nog een irrigator gebruiken, een rubberen spuit aan een reservoir met water en azijn. Wie modern wil zijn, moet pijn lijden.

Als Dottie eindelijk weer op straat staat, belt ze vol verwachting haar geliefde. Ze gaat ervan uit dat ze het instrumentarium bij hem stalt, want waar moet ze het anders laten? Ze kan zich niet permitteren dat haar kamergenootje deze aankoop ziet. De man is niet thuis; ze laat een boodschap achter en gaat in het park op hem zitten wachten. Zes uur later trekt ze de onvermijdelijke conclusie. Haar net verworven toerusting laat ze stiekem achter onder het bankje. Verliefd was ze natuurlijk toch geworden.

McCarthy vertelt dit allemaal matter-of-fact (en herkenbaar voor wie het pre-pil-gemodder nog aan den lijve heeft ervaren). Dottie zelf maakt er evenmin een drama van. Er wordt door de vrouwen überhaupt weinig gedramatiseerd. McCarthy’s beste vriendin, filosofe Hannah Arendt, vond De groep dan ook hilariously funny. Toch was het allemaal niet louter grappig. Het was anno 1954 en 1963 zonder meer shocking dat McCarthy openlijk schreef over vrouwelijke seksualiteit, over seks voor en buiten het huwelijk, ongesteldheid en voorbehoedmiddelen. Bovendien gaf het lot van deze vrouwen, zoals McCarthy laat zien, weinig reden tot vreugde. Hoe geprivilegieerd en intelligent ze ook zijn, hun hoofden zijn gekoloniseerd door mannen, door De Man als Soort. Continu tobben ze over wat Hij wil, van ze verwacht en zal doen. Hoe modern ze ook zijn, of nee: juist omdat ze zo modern zijn, verliezen hun professionele ambities het van het verlangen naar een ‘succesvol’ huwelijk, zelfs al is dat liefdeloos. De vrouwen zijn gevangenen. Niet louter van een samenleving die ze weinig gunt, maar van hun eigen opvattingen, elkaars keurende blikken, de wensen van hun ouders – allemaal cipiers in dienst van een alomtegenwoordige mannelijke dominantie. Je krijgt het er benauwd van.

De enige uitzondering op dit collectieve zelfverlies is de mooie Leaky. Zij maakt echte keuzes en heeft een echt vak, maar is in het boek nagenoeg afwezig aangezien ze als kunsthistorica in Europa is gaan werken. Als ze terugkeert, net voor de oorlog uitbreekt, blijkt ze een overtuigde anti-fasciste geworden en heeft ze een Duitse baronesse als partner. Mary McCarthy kon goed observeren. Maar de pen waarmee ze de besognes tekende van haar voormalige medestudentes – hun woninginrichting, jurken, mannen en de gekelderde waarde van de familieaandelen – was behalve geestig ook vinnig. Ik vind het lastig te bepalen tot welk genre De groep moet worden gerekend, en ik heb de indruk dat McCarthy daarover ook zelf aarzelde. Tussen het eerste gepubliceerde hoofdstuk en het uiteindelijke boek liggen negen jaar – jaren waarin ze in haar correspondentie met Arendt hooguit een enkele keer naar dit project verwees. (Arendt bezorgde haar in 1959 een beurs om het af te maken.)

Geen der personages ontroert of boeit echt. Zelfs van Kay’s dood Kay werd ik niet warm of koud. Het is een tekort dat De groep deelt met De Mandarijnen van Simone de Beauvoir, ook een meer beschouwend dan literair schrijfster. Zoals Beauvoir het denkklimaat schetste van de Parijse intellectuele elite direct na WO II, waartoe zij zelf behoorde, zo beschrijft De groep de sfeer van de New Yorkse jaren dertig, McCarthy’s toenmalige leefwereld.

De groep kwam hoog op de bestsellerlijsten. Maar McCarthy’s intellectuele vriendenkring had voor haar meest succesvolle boek geen goed woord over. Haar lijfblad, The New York Review of Books, plaatste een pagina’s lange aanval door Norman Mailer. Nooit te beroerd om zich op te stellen als male chauvinist, noemde Mailer het een lady’s book, een damesroman, in het volle besef dat die kwalificatie kwetsend was. Het ontbrak haar personages aan de durf om desnoods echt ten onder te gaan. Hoewel Mailers aanval wellicht was ingegeven door jaloezie en seksisme, had hij wel een punt. Als roman schiet McCarthy’s groepsportret tekort. Maar de lezer krijgt wel een scherpzinnig, mooi geschreven tijdsbeeld; een amusante sociologie van de sekse-verhoudingen, bezien vanuit vrouwen, in de jaren van depressie, New Deal en opkomend Europees fascisme. Jaren waarin het nog een optie was communist te zijn en het feminisme weliswaar voorbij was, maar de kansen die de eerste golf had gecreëerd, nog leken te kunnen worden verzilverd.

Veteranen

Hoe anders was het maatschappelijk klimaat twintig jaar later, toen McCarthy werkte aan het boek. Het was Koude Oorlog; haar naamgenoot vervolgde collega-schrijvers. De situatie van vrouwen was verslechterd. Gestudeerd of niet, vrouwen zaten thuis. Daar waren ze na de terugkeer van de veteranen van WO II hardhandig toe gedwongen en daar leken ze mee verzoend. Schrijfsters als Arendt en McCarthy waren eenlingen die het dankzij eigen inspanning hadden gemaakt in een mannenwereld. Zulke vrouwen plegen hun meer dociele en gemakzuchtige seksegenoten te bezien met een koele blik. Bij gebrek aan strijdbare zusters moesten ze wel one of the boys zien te worden. Wellicht verklaart dit waarom McCarthy geen aanklacht schreef, maar een satire en waarom Arendt daar zo om kon lachen.

Maar de tweede feministische golf was in 1963 wel op komst. In hetzelfde jaar als De groep verscheen The Feminine Mystique. Betty Friedan. liet daarin op basis van een onderzoek onder vrouwen die net als zijzelf in 1942 waren afgestudeerd, zien dat deze vrouwen die niet ‘hoefden’ te werken, en die, zoals dat heet, alles hadden wat hun hartje begeerde, niettemin ongelukkig waren. Veel minder mooi geschreven, werd het een even grote bestseller als De groep. Het was niet voor niets dat beide boeken zo aansloegen. Maar het is ook niet voor niets dat in de geschiedschrijving over de Tweede Golf De groep niet wordt genoemd, terwijl Friedans boek alom wordt gezien als een van de lucifers waarmee het nieuwe feministische vuur werd ontstoken. Volgens de uitgever is De groep voor vrouwen nog altijd actueel. Hoeveel lezeressen ik het boek ook gun, ik mag hopen dat dat een misvatting is. Zo zijn we toch niet meer?