Stedelijke bouwfraude anno 1777

Ook in de 17de en 18de eeuw wedijverden steden met elkaar. De stad moest zelfbewustzijn en voorspoed uitstralen. Vandaar die bouwlust, waarbij men tegen zeer bekende problemen opliep.

Geert Medema: Achter de façade van de Hollandse stad.Het stedelijk bouwbedrijf in de achttiende eeuw. Vantilt, 400 blz. € 29,95

Onlangs werd bekend dat de directeur van het stedelijk bouwbedrijf van Amsterdam, de 39-jarige J. de W., ontslagen is. Bij onderzoek van de stedelijke rekenkamer waren frauduleuze praktijken aan het licht gekomen. De W. had invloed gehad op de benoeming van bepaalde ambtenaren en daar financieel voordeel van getrokken, hij had werklieden voor privéklussen ingeschakeld en gesjoemeld met de loonadministratie. Bij een project op de Dam brachten de aannemers de kosten gedeeltelijk onder bij een ander project.

Schrikt u niet omdat u denkt het zoveelste bouwschandaal te hebben gemist. Het bovenstaande bericht is namelijk 234 jaar oud. Het betreft de toenmalige directeur-generaal van bouwwerken te Amsterdam Jacob Eduard de Witte. In 1777 hadden de thesauriers van de stad na een uitvoerig onderzoek de bovengenoemde feiten vastgesteld.

Het ligt voor de hand om parallellen met het heden aan te wijzen en te verzuchten dat er niets nieuws onder de zon is. Openbare werken, gesjoemel, vriendjespolitiek, gebrek aan expertise, kostenoverschrijdingen – het komt allemaal voor in de studie Achter de façade van de Hollandse stad van de Utrechtse architectuurhistoricus Geert Medema. Het boek is een bewerking van zijn proefschrift uit 2008, waarin hij de praktijk van de openbare werken in enkele Nederlandse steden in de 18de eeuw analyseert.

Medema trekt terecht geen historische parallel met het heden, maar de lezer kan er bijna niet omheen om dat zelf te doen. Hooguit kan men zeggen: de omstandigheden verschilden, maar de menselijke eigenschappen waren hetzelfde, zowel ten goede als ten kwade. Er waren ambtenaren met hart voor de stad en een open oog voor goed bestuur, met zorg voor handel, nijverheid en infrastructuur. Bij anderen prevaleerde het eigenbelang.

De kern van dit boek is de vraag hoe stedelijke overheden in zeven Hollandse steden – Amsterdam, Rotterdam, Schiedam, Delft, Gouda, Haarlem en Leiden – openbare werken lieten uitvoeren. Medema behandelt daarbij overheidsgebouwen zoals stadhuizen, wagen, beurzen, liefdadigheidsinstellingen en infrastructurele objecten als bruggen, sluizen, kades en trekvaarten. Het ging daarbij zowel om herstel van die bouwwerken die doorgaans uit de 17de eeuw of eerder dateerden, als om nieuwbouw. Medema heeft zijn studie ruim opgezet en behandelt zijn thema tegen het economische en demografische decor van de 18de eeuw. Hij gaat daarbij diep in op de magistraatspersonen die over al deze zaken moesten beslissen, maar ook op de ontwerpers en de uitvoerders. Daaraan ligt veel archiefonderzoek ten grondslag en het geheel resulteerde in een gedegen, gedetailleerd, zeer zakelijk geschreven boek, voorzien van vele relevante illustraties.

Het ging in de 18de eeuw niet goed met de Nederlandse steden. Internationale concurrentie bracht handel en nijverheid op achterstand. Het aantal inwoners stagneerde of liep terug, huizen raakten onbewoond of werden afgebroken wat een geringere belastingopbrengst veroorzaakte. Tegelijkertijd deed een verarmende bevolking steeds meer een beroep op de sociale instellingen. De armenhuizen, waar Nederland zo beroemd om was, raakten overvol.

De wandelaar

Tegelijkertijd zagen de stedelijke magistraten zich geplaatst voor ouderdomsverschijnselen van de vele openbare gebouwen en infrastructurele objecten. De wandelaar in Leiden of Delft kon niet heen om verwaarloosde vestingwerken, dichtslibbende havens, verzakte stadspoorten en te krappe en uitgewoonde weeshuizen. En ook sluizen en bruggen smeekten om herstel; grachten, vaarten en havens wenkten de baggeraars.

Deze paradoxale situatie – veel werk aan de winkel en minder financiële middelen – werd nog verergerd door het ontbreken van een kader van goed opgeleide ingenieurs en architecten. Medema begint zijn boek dan ook met deze problematiek. Hij schetst hoe de stedelijke ambtenaren dankzij een oud en beproefd systeem werden benoemd, maar dat ze lang niet altijd over de vereiste kennis van bruggenbouw of modderwerken beschikten. Men was afhankelijk van mannen van de praktijk, in het beste geval van ervaren timmerlieden uit de stad zelf, die ook nog eens een architectuurboek hadden bestudeerd. Amsterdam kon dergelijke duizendpoten nog wel aantrekken, maar de kleinere steden niet. Die zochten vergeefs naar mensen die de praktische ervaring paarden aan theoretische bouwkundige kennis en die dan ook nog eens zo’n bouwproject financieel en organisatorisch tot een goed einde konden brengen.

Elk stadsbestuur stond een bloeiende, economisch gezonde stad voor ogen, met gereglementeerde zorg voor armen, wezen, zieken en bejaarden. In de openbare ruimte moest de stad ook zelfbewustzijn en autonomie uitstralen. Bij uitstek kon zich dat al manifesteren bij de stadspoorten, die de fysieke en juridische grenzen van de stad aangaven en die door middel van allegorische beeldhouwwerken en wapenschilden de stedelijke eigenheid verkondigden.

De magistraat had daarbij ook oog voor de schoonheid van de stad. Hoe nuchter en praktisch hij ook opereerde, hij keek behalve naar de utilitaire aspecten van alle herstel- en nieuwbouw ook naar esthetische aspecten. Medema haalt daar verscheidene voorbeelden van aan. Middenstanders hadden in de loop van tijd hun winkelluifels zo ver uitgebreid dat het verkeer belemmerd werd. Men trad hier tegen op en niet alleen uit praktische overwegingen, maar ook omdat het, zoals het in 1712 in de woorden van een ambtelijk Leids rapport heet, een ‘groote disformiteid en ontciering’ te weeg brengt. Voor uithangborden gold hetzelfde. Ook andere steden traden hier met verwante argumenten tegen op.

Parken en alleeën

De zorg voor een stad die het oog ook wat te bieden heeft blijkt eveneens uit de groenvoorziening. Langs de grachten en op de singels werden bomen aangeplant; steden lieten parken en alleeën aanleggen, zoals de Plantage in Amsterdam, de Hout in Haarlem, de Boompjes in Rotterdam, het Haagse Bos. Al dit groen bood lommer in de zomer, mooie vergezichten en nog kaphout ook.

Medema identificeert de visioenen van voorspoed en schoonheid zoals die de magistraat voor ogen stonden, met die van de stad als geheel. Het probleem met dit soort vaststellingen is dat de stad wordt ge-antropomorfiseerd, alsof het een zelfstandig organisme is. Ook wordt er van uitgegaan dat ‘de inwoners’ doordesemd waren met een stedelijk chauvinisme. Voor de geletterde toplaag, voor de burger die de allegorische verbeeldingen op stadhuizen en stadspoorten kon interpreteren, die de stadsgeschiedenis in zijn bibliotheek had staan en die fraaie stadsprofielen aan de muur had hangen, zal dat wel gegolden hebben. Voor de inwoners zonder burgerrecht, waaronder de anonieme groep paupers, is dat helemaal de vraag.

Hoewel de problemen in de behandelde steden min of meer gelijk waren, verschilden de oplossingen per stad. Amsterdam en Schiedam (dankzij de jeneverindustrie) hadden het economische tij nog wel mee, de andere steden kregen het moeilijk. Maar of ze nu plaatselijke vakmensen benoemden of externe specialisten, of ze nu naar uurloon lieten werken of een heel project aanbesteedden, ze probeerden te bezuinigen, efficiënter te werken en het aantal ambtenaren te verkleinen. Daarbij moesten ze altijd waakzaam blijven. Altijd lagen ‘de yverloosheid der opzienders’, ‘de traaghed der werklieden’ en de ‘winzugt der leveranciers’ op de loer. En zelfs een veelgeroemde, met grote verwachtingen binnengehaalde expert kon de fout in gaan. Dat bleek bij Jacob de Witte, die officier in het Staatse leger was geweest, maar niet bezield bleek te zijn met de ‘principes van eer’ die men van een officier mocht verwachten.