Sobere, persoonlijke romans over WOII

Het werk van schrijfster Agota Kristof staat in het teken van eenzaamheid en vervreemding.

In een interview merkte ze eens op: „Ik denk dat eenzaamheid mijn onderwerp is, het zit ook in mijn toneelstukken waarin veel wordt gerookt en gedronken. Het heeft te maken met het internaat waarin ik op mijn veertiende werd opgesloten.”

De Hongaars-Zwitserse Agota Kristof werd geboren als dochter van een (dissidente) leraar en groeide op in het stadje Kõszeg aan de Hongaars-Oostenrijkse grens. In 1956, tijdens de Hongaarse opstand, vluchtte ze met man en kind naar Oostenrijk en vestigde zich voorgoed in het Zwitserse Neuchâtel. Aanvankelijk schreef ze in het Hongaars: poëzie die verscheen in Parijse dissidententijdschriften. Later legde ze zich toe op toneelstukken en romans, geschreven in het Frans.

Kristof werd in 1986 op slag beroemd met de roman Het dikke schrift, die in meer dan dertig talen werd vertaald. Hierin staan twee kinderen centraal, een tweeling, die bij hun grootmoeder aan de Oostenrijkse grens wonen en verslag uitbrengen van het alledaagse leven tijdens en na WOII. Ook in haar twee volgende romans, Het bewijs (1988) en De derde leugen (1991), die samen met Het dikke schrift een trilogie vormen, spelen de oorlog en de communistische dictatuur een hoofdrol. Tot haar beste en ontroerendste werk kan ook haar autobiografische De analfabete gerekend worden – in 2006 vertaald in het Nederlands. In de haar typerende, sobere stijl, vertelt ze over haar ouders, de Russische bezetting van Hongarije, de taalbarrière in Zwitserland en haar passie voor boeken.

Kristof kreeg voor haar bescheiden oeuvre veel prijzen en had een klein, trouw publiek. Enkele maanden geleden nam ze in Boedapest de Lajos Kossuth-prijs in ontvangst, de belangrijkste Hongaarse onderscheiding voor literatuur. Die prijs betekende veel voor haar, zoals ze in haar laatste interviews zei. Nu was ze ook erkend in het land waaruit ze ruim een halve eeuw eerder was gevlucht.