Schijt aan autoriteit

Tim, Donny en Nico gingen onlangs op de vuist met agenten in Floradorp.

En nu bijna ook met Joris van Casteren. „Jouw boekie gaat de sloot in, meneer.”

Het is vrijdagavond en ik loop door de Sneeuwbalstraat in Amsterdam-Noord. Aan het einde van deze straat ging twee weken geleden een scooterrijder onderuit nadat hij met z’n voorwiel de stoeprand raakte. Op de klinkers zijn de met spuitverf aangebrachte markeringen van de verkeerspolitie nog zichtbaar.

De scooterrijder was er slecht aan toe, een traumahelikopter kwam aangevlogen. Het was een warme avond, de jeugd van Floradorp, die zich als elke vrijdagavond verzamelde bij jongerencentrum De Dijk, snelde op het wiekgeklapper af.

De politie spande linten om de menigte op afstand te houden, uit voorzorg werden extra collega’s opgetrommeld. De jongeren van het Floradorp – een buurt die in de jaren twintig van de vorige eeuw werd gebouwd voor als asociaal bestempelde gezinnen en nu voornamelijk door laagopgeleide autochtonen wordt bewoond – hadden zich vaker misdragen als er hulpdiensten aan de slag moesten.

Zo werd vorig jaar een steen door de ruit van een brandweerwagen gegooid, een paar maanden daarvoor liep een motoragent een hoornvliesbeschadiging op tijdens een vechtpartij. De nieuwjaarsnacht in Floradorp loopt vrijwel elk jaar uit op ongeregeldheden waarbij hulpverleners worden aangevallen of tegengewerkt.

Vrijdagavond 15 juli hadden de politieagenten hun handen vol aan de jongeren, die de afzetlinten negeerden en tussen de ambulances doorliepen. De scooterrijder werd afgevoerd, agenten van de technische ongevallendienst begonnen aan een reconstructie van het ongeluk. Om de val van het slachtoffer na te bootsen maakten ze gebruik van een pop.

De jongeren trokken nog een biertje open en maakten grappen over de agenten en de pop. Een van hen stapte over het lint, ging op de pop liggen en deed, tot hilariteit van de anderen, alsof hij er de liefde mee bedreef.

Toen de agenten hem wilden arresteren ging het mis. De massa belaagde de agenten en wist de jongen los te trekken. De groep kon uiteindelijk met pepperspray en wapenstok worden verjaagd. De volgende ochtend vroeg werden twee jongens van 23 en 28, die op camerabeelden waren herkend, door een arrestatieteam van hun bed gelicht.

In kranten, televisiejournaals en op internet werd het voorval aangemerkt als het zoveelste incident waarbij hulpverleners worden belaagd door omstanders. De politiewoordvoerder sprak van „onbegrijpelijk gedrag”.

Ik vraag mij af hoe de jongeren zelf terugkijken op de gebeurtenis. Hebben ze inderdaad ‘het IQ van een visstick’, zoals iemand op een internetforum schreef, of is er iets anders aan de hand?

Om negen uur sta ik voor het jongerencentrum, een bouwvallig hoekpand aan het Noordhollands Kanaal. Langs het smalle dijkweggetje staan auto’s met dikke uitlaten en zelfgemonteerde spoilers. Op plastic stoelen voor de ingang zie ik een paar jongens zitten. Ze zijn een jaar of twintig, iets ouder misschien, dragen sportschoenen met luchtzolen, bomberjacks, spijkerbroeken en trainingsjasjes. Korte haren, zilverkleurige oorbelletjes, sommigen een pet.

Als ze horen dat ik schrijf voor een krant ontstaat er ophef. Sommigen lopen weg, anderen beginnen te schelden. Een meisje met een roze geverfde haarlok schiet mij te hulp. „Dit is jullie kans om jullie versie van het verhaal te vertellen”, zegt ze.

Twee jongens aarzelen. Een dikke – Donny – met een schakelketting en een tatoeage in zijn nek, en een lange, tamelijk brede – Tim – die kleine, samengeknepen oogjes heeft en een tatoeage op zijn borst. Ze zeggen dat ze hun verhaal willen vertellen als ik ervoor betaal. Ik leg uit dat dat niet gebruikelijk is, wel kan ik drankjes en sigaretten voor ze betalen.

Tim verdwijnt met mijn biljetten, even later loopt hij, blikjes bier en sigaretten in de hand, met Donny naast mij in het parkje achter het jongerencentrum. Een derde jongen, die zijn naam niet wil zeggen, voegt zich bij ons. Ze vinden het goed als ik het gesprek opneem met mijn telefoon, in mijn notitieblok maak ik aantekeningen.

„De mensen zijn altijd bang om naar ons dorp te komen”, zegt Donny. „Maar jij staat hier gewoon, daar heb ik respect voor.” Donny vertelt dat hij afvoerontstopper is. „Als jouw plee verstopt zit maak ik hem voor je, dan kun je weer schijten.” Tim werkt in de bouw, de derde jongen in een kledingzaak. Donny: „Gewoon hardwerkende jongens zijn we.”

Vorige week vrijdag stonden ze bij buurtwinkel Lido. Ze dronken blikjes bier en Bacardi die ze in hun zak staken als een politieauto passeerde. Buurtbewoners zeggen dat ze Lido-klanten lastigvallen, maar volgens hen is dat onzin. „Ouwe vrouwtjes komen naar die winkel, kindjes, alles”, zegt Tim. „We praten altijd normaal rustig met hun.”

Ze liepen door de Sneeuwbalstraat in de richting van het jongerencentrum. „In ene horen we een helikopter aankomen, we zien ambulances en die jongen op de grond liggen.” Ze zeggen dat iedereen netjes achter het politielint bleef staan, maar op een filmpje op AT5 is te zien dat omstanders overal tussendoor lopen. „Goed, er liepen een paar achter de ambulance langs”, zegt Tim. „Gewoon om te kijken.”

Dat ze ambulancemedewerkers gehinderd hebben, zoals de politiewoordvoerder verklaarde, daar klopt volgens hen helemaal niets van. „Wij zijn zo opgevoed dat we geen ambulancebroeders lastigvallen”, zegt Donny. „Wij zijn zelfs zo dat we die jongen zelf de ambulance intillen, snap je wat ik bedoel?” „Mensen die mensen helpen, helpen wij ook graag”, zegt Tim.

Wel vonden ze het irritant dat er zoveel agenten op het ongeval afkwamen. „Sommigen van ons worden dan baldadig. Opmerkingen maken en zo, wat mag dat allemaal wel niet kosten?” „Kijk, wat wij met de politie hebben heeft een langere eh... geschiedenis”, zegt de derde jongen. „Floradorp was vroeger gewoon een vrijbuurt van doen en laten.” „Beetje woonwagenkampshit”, vult Donny aan. „Maar toen werd het nieuwjaarsvuur verboden, en dat pikten wij niet.”

Na de rellen die op het verbod volgden, bleef de politie hen scherp in de gaten houden. „Draaien we een muziekie, komen de smerissen gelijk naar ons toe, dat het zachter moet. Daar hebben we gewoon een tyfus-hekel aan, dit is onze buurt.” „En we mogen geen alcohol drinken.”

Toen de ambulances en de helikopter waren vertrokken, dook een van hun vrienden, een zekere Danny, op de reconstructiepop. „Danny ging die pop liggen neuken”, zegt Donny. „Voor de gein, dat kan toch? Dat is toch lachen?” Tim: „Maar die agenten reageerden verkeerd. Ze zeiden niet: ga weg hier, dat mag je niet doen. Ze doken gelijk met z’n allen bovenop hem.”

Tim, Donny, de derde jongen en de andere omstanders stormden op de agenten af. „Wij zien elkaar als familie”, zegt Tim. „We willen dan gewoon onze vriend beschermen, maakt niet uit of je politie bent of niet.” Donny: „Iedereen zegt nu dat het tegen hulpverleners was gericht, maar als het iemand uit de Bijlmer of Osdorp was geweest die Danny aanraakte, dan hadden we hetzelfde gedaan, snap je?”

„Eigenlijk wilden wij ze alleen maar uit elkaar halen”, zegt Tim. „Maar ze gingen meteen in het Wilde Westen met pepperspray spuiten en met stokken slaan.” Tim zegt dat ik aan zijn been moet voelen. „Voel dan, meneer, nee, echt, voel dan!” Vlak boven zijn sok voel ik een bult op zijn been. „Heeft zo’n kankersmeris gedaan.”

Tim rukt mijn notitieblok uit mijn handen. „Wat staat hier? Ik wil godverdomme weten wat je opschrijft.” Het meisje met de roze lok is erbij komen staan. „Doe normaal, idioot”, zegt ze tegen Tim.

Ze vinden het alle drie laf dat de politie de volgende ochtend op twee adressen binnenviel. „Je gaat niet achteraf mensen van hun bed lichten, mensen die rustig liggen te slapen.”

Ze hebben zich enorm geërgerd aan reacties op de websites van De Telegraaf en AT5. Tim: „We zouden een slecht voorbeeld hebben van vaders die niet werken en zo. Maar mijn vader werkt keihard, al vijfentwintig jaar.” De derde jongen: „Het is meteen een vooroordeel als je uit Floradorp komt.” Donny: „Wij zijn geen barbaren, je kunt gewoon met ons praten. Jij staat nu ook met ons te praten, toch?”

Een verhit figuur komt aangelopen. Het is Nico, hij draagt een vest waar ‘AFCA’ op staat en heeft een flesje Bacardi in zijn hand. „Ik zag jou al lopen, ik denk: wie ben jij eigenlijk? Maar jij bent van de krant.” Nico gaat tegen mij aan staan. „Ik wil weten wat jij opschrijft, meneer. Want als jij dingen gaat opschrijven wat niet waar is...” Voor de tweede keer die avond wordt mijn notitieblok uit mijn handen gerukt. Het meisje met de roze lok gilt, Donny probeert Nico tot bedaren te brengen.

„Jouw boekie gaat de sloot in, meneer”, zegt Nico. „Door jou krijgt Floradorp zo’n slechte naam, mongool”, gilt het roze gelokte meisje. „Geef die ding aan hem terug”, zegt Tim. „Hij kan de kanker krijgen”, zegt Nico, en loopt in de richting van het Noordhollands Kanaal.

Ik wil iets roepen over aantekeningen als een gespierde jongen die is komen aanrennen, hem tegenhoudt. Hij grijpt Nico bij zijn AFCA-vest en stompt hem driemaal in het gezicht, een straaltje bloed loopt uit Nico’s neus.

De gespierde jongen geeft mij mijn notitieblok terug. „Normaal gesproken doet Nico nooit zo”, zegt hij. „Maar hij is een van de twee jongens die van hun bed zijn gelicht.” Opnieuw komt Nico op mij af, ditmaal waggelend. Hij probeert mijn keel dicht te knijpen, de gespierde jongen slaat hem nog een keertje neer. Op het natte gras neemt Donny Nico in de houdgreep. „Doe nou effe normaal, ouwe.”

„Bij mij stond een arrestatieteam naast me bed, niet bij jullie”, tiert Nico. Ik vraag aan de gespierde jongen of Danny, de persoon die onzedelijk tekeer ging op de pop, de andere arrestant was. „Nee, Danny hebben ze nog niet te pakken. Hij zit vanavond op een geheim adres te pokeren.”

Voor de derde keer wordt mijn notitieblok uit mijn handen gegrist, opnieuw door Tim. Hij scheurt mijn aantekeningen eruit. „Het interview is afgelopen, je hebt de verkeerde mensen benaderd.”

Ik loop terug naar mijn auto en schakel de spraakopnamefunctie op mijn telefoon uit. Op het natte gras heeft Donny Nico nog altijd in de houdgreep. „Luister, die man gaat het goed voor ons doen”, hoor ik hem roepen. „Jij bevestigt nu wat ze over Floradorp denken, eikel.”