Onthoofd bij het kopstation

Vertel de geschiedenis aan de hand van de namen van metro-stations. Met die opdracht reisde een schrijver-acteur langs de kastelen, kelders en koningen van Parijs.

Lorànt Deutsch: Metronome. In het ritme van de metro door de geschiedenis van Parijs. Vert. Martine Woudt. Thomas Rap, 400 blz. € 19,90.

Lorànt Deutsch: Métronome illustré. Michel Lafon, 200 blz. € 26,50

Het zou de vraag voor een vijfsterren- vakantiepuzzel kunnen zijn: zet de metrostations van Parijs in chronologische volgorde. In chronologische volgorde? Ja, dat kan, want bijna allemaal zijn ze genoemd naar figuren, gebouwen, plaatsen en gebeurtenissen uit de geschiedenis, van La Courneuve–8 mai 1945 tot Villejuif–Louis Aragon en van Porte Dauphine tot Nation. Zou je met de 300 stations ook de geschiedenis van Parijs kunnen dekken? Ja ook, met veel minder zelfs, dat bewijst Métronome van Lorànt Deutsch, een kroniek-annex-reisgids die nu met de ondertitel ‘In het ritme van de metro door de geschiedenis van Parijs’ is vertaald.

Deutsch, een buiten de grenzen van Frankrijk weinig bekende acteur, had niet alleen een origineel idee – stadsgeschiedenis bedrijven aan de hand van metrostations – hij voerde het ook op een bijzondere manier uit. Om niet te verzuipen in de namen koos hij ervoor iedere eeuw aan één station te koppelen, zodat zijn boek 21 hoofdstukken telt; van ‘Cité’, waar het Romeinse Lutetia in de 1ste eeuw na Chr. begon, tot ‘La Défense’, dat met zijn wolkenkrabbers symbool staat voor het Grand Paris van de toekomst.

Af en toe moet hij smokkelen om de geschiedenis bij de stations te trekken – en omgekeerd. Zo weten we sinds een jaar of twintig dat de vroegste bewoners van de samenvloeiing van Marne en Seine, de Parisii, hun eerste nederzetting hadden in Nanterre, zo’n 15 kilometer ten westen van het Île de la Cité. En de naam van het La Défense verwijst niet naar iets uit de 21ste eeuw, maar naar het standbeeld dat er in 1883 werd opgericht ter ere van het verzet van de Parijzenaars in de Frans-Duitse oorlog van 1870.

Denk niet dat Deutsch zich er met een jantje- van-leiden van heeft afgemaakt. In de meeste hoofdstukken loopt de geschiedenis wel degelijk parallel met de naam van het metrostation. Neem Notre-Dame-des-Champs, dat de kapstok is voor de 3de eeuw, gekenmerkt door de verbreiding van het christendom. Het is de naam van een schuilkerk die ooit in de wijngaarden bij Montparnasse lag en die werd gesticht door Sint Dionysius, een Gallische bisschop die in 257 werd onthoofd op een heuvel in het noorden van de stad, de Mont-des-Martyrs oftewel Montmartre.

Crypte

Na zijn terechtstelling liep Saint Denis met zijn hoofd in zijn handen zes kilometer naar het noorden, waar hij neerzeeg op de plaats waar zijn bewonderaars vervolgens de eerste Basilique St Denis bouwden (eindpunt metrolijn 13). Maar voordat Deutsch dit verhaal vertelt, heeft hij ons meegenomen op een wandelingetje dat van de 19de-eeuwse Notre-Dame-des-Champs leidt naar de crypte van de oude Onze-lievevrouwe, die onder de parkeerplaats van een appartementencomplex een paar straten verder ligt. Hij slaagt er zelfs in om de metersdiepe kelder aan een onderzoek te onderwerpen.

Zo gaat Deutsch bij al zijn metrostations te werk. Hij maakt een wandelingetje, zoekt naar de resten uit de eeuw die hij beschrijft (een Romeinse schoorsteen, een stukje 12de-eeuwse stadsmuur, de enig overgebleven cel van de Bastille) en maakt een verhaal van de belangrijkste gebeurtenissen. Bij Châtelet, genoemd naar een 9de-eeuws kasteeltje dat aan de Seine verrees, is dat de strijd van de nazaten van Karel de Grote tegen de Vikingen. Bij Palais Royal-Musée du Louvre gaat het over de Renaissance (16de eeuw) en de opportunistische koning Henri IV, die Parijs best een mis waard vond. En bij Champs- Elysées–Clemenceau zitten we volop in de wereldoorlogen van de vorige eeuw.

In elk hoofdstuk neemt Deutsch in lange kaders uitgebreid de ruimte om vragen te beantwoorden (‘Wie was Nicolas Flamel?’ ‘Hoe verdween het domein van de Tempeliers?’ ‘Is boulevard een typisch Parijs woord?’) en weetjes te spuien. De naam Louvre komt van het Frankische woord voor vesting, loewer. De 15de-eeuwse koning Charles V was een bibliofiel wiens verzameling de basis werd voor de nationale bibliotheek. De Pont-Neuf is niet de negende maar de vijfde brug van Parijs, en ook niet de nieuwste maar inmiddels de oudste.

De opzet is geweldig, je vliegt door het boek heen, met de snelheid van een metronoom op prestissimo. Jammer genoeg is Deutsch’ stijl niet erg subtiel; zijn tekst wemelt van de uitroeptekens en zijn zinnen doen af en toe een beetje kinderlijk aan, hoewel dat ook zou kunnen liggen aan de vertaling, waar het Frans nog een beetje doorheen schemert. De Nederlandse editie van Métronome is sowieso eigenaardig; niet alleen bevat het boek geen enkel kaartje, zelfs ontbreekt het lijnenplan van de Parijse metro. Wie dat soort broodnodige informatie mist en ook graag wat beelden van de genoemde koningen en kerken ziet, kan zich wenden tot de Métronome illustré die inmiddels in Frankrijk is verschenen; een vrolijk boek met foto’s en tekeningen waarvan vooral kinderen kunnen genieten – als Frans tenminste hun moedertaal is.

Trocadéro

Zoals gezegd, het idee van Deutsch is briljant. Hij kan nog gemakkelijk een aantal vervolgdelen maken; bijvoorbeeld over de militaire geschiedenis van Frankrijk (Orléans, Austerlitz, Trocadéro, Sébastopol), de literaire geschiedenis (Froissart, Diderot, Victor Hugo, Raymond Queneau) of over onbekende historische figuren (Étienne Marcel, Père Lachaise, Charles Michels). Het zou mij trouwens verbazen als ze in Engeland en Duitsland al niet werken aan vergelijkbare boeken over de geschiedenis van Londen en Berlijn, al zijn de metronamencommissies daar meer op geografie dan op historie gericht. Amsterdam en Rotterdam zijn trouwens helemaal hopeloos. Wat voor verhaal kun je vertellen bij Isolatorweg, Ganzenhoef en Reigersbos? Of bij Oosterflank, Capelsebrug en Slinge?