Niet alleen homo, maar ook mens

Richard Keldoulis kroop 10 jaar geleden in de huid van dragqueen Jennifer Hopelezz.

„Het is leuk om te zien dat mensen in mijn omgeving ook in travestie durven gaan.”

Richard Keldoulis (Jennifer Hopelezz) Fotografie: Mieke Meesen

„Ze is wel dik”, zeg ik, terwijl ik wijs naar een foto van de dragqueen Jennifer Hopelezz.

„Nee, ze is rónd”, zegt Richard Keldoulis, de man achter Hopelezz. „Rond is mooi.”

Op de foto, bij Keldoulis thuis aan de muur geprikt, heeft Jennifer een grote, blonde pruik, knalroze make-up, nepwimpers, een stoppelbaard en borsthaar. Haar sexy mini-jurk stretcht net niet ver genoeg om haar enorme nepbillen te bedekken. Die billen werden door Keldoulis’ echtgenoot gemaakt, van schuimrubber.

Keldoulis ontmoette zijn Nederlandse man toen hij twintig jaar geleden vanuit Australië naar Amsterdam verhuisde. Na wat omzwervingen in het onderwijs en de kunstwereld begonnen ze samen met het organiseren van grote evenementen bij het homomonument op de Westermarkt. Achter de schermen ontwikkelde Keldoulis zich tot een invloedrijk lid van de Amsterdamse gayscene: als uitbater van de informatiekiosk Pink Point en medeoprichter van de fetisjclub Church. Toen hij ruim tien jaar geleden in de huid kroop van dragqueen Jennifer Hopelezz werd hij ineens een publieke figuur, vooral nadat Hopelezz vorig jaar met een grootse campagne een gooi deed naar het Amsterdamse nachtburgemeesterschap. ‘Jenny’ is ook de spil achter de jaarlijkse Drag Olympics op de Westermarkt, waar dragqueens hun krachten meten op de onderdelen tasjeswerpen en stilettosprint.

Als Jennifer Hopelezz stond je ineens vol in de schijnwerpers.

„Ja, dat was leuk, als mezelf had ik dat nooit gedurfd. Van optreden kreeg ik altijd enorm de zenuwen. Trillen en zo. Ook als kind was ik al heel verlegen. Jenny is daarin heel anders.”

En ze is ook nog eens heel lief.

„Dat is volgens mij haar kracht. Een travestiet hoeft niet per se bitchy te zijn. Jenny’s inspiratiebron Jennifer Lopez heeft ook iets liefs. Ze deed me denken aan mijn Griekse nichtjes en zussen in Australië, met haar korte jurkjes, geblondeerde haar en dikke kont. Tijdens een vakantie op Mykonos droomde ik dat ik een persiflage deed op Lopez. Ik zag heel duidelijk hoe ik eruit wilde zien. Zo is Jennifer Hopelezz geboren. Twee keer per jaar trad ik als Jenny op. Later is dat meer geworden. Ze is tien jaar jonger dan ikzelf, dus nu ongeveer 38. En hoe ouder ze wordt, hoe blonder. Net als de vrouwen uit mijn jeugd.”

Je moeder wordt ook steeds blonder?

„Ja, en die draagt veel sieraden en make-up. Als kind speelden mijn broers en ik daar vaak mee. En ik liep rond in haar jurk en hoge hakken. Geweldig vond ik dat. Maar in mijn school- en studietijd hield ik me helemaal niet bezig met drag. Ik was een brave, ijverige leerling.”

Geen buitenbeentje.

„Helemaal niet. Mijn ouders zijn tweedegeneratie-Grieken in Australië en ik groeide op in de conservatieve voorsteden van Sydney. Mijn vader was tandarts, mijn moeder huisvrouw en ik zat op een strenge Schotse privéschool. Elke vrijdag hadden we een militaire oefening. Dan moesten we allemaal een kilt aan. Alles aan die school vond ik verschrikkelijk, maar ik wist niet beter, natuurlijk. Ik studeerde hard en deed veel aan sport.”

Je kon je goed aanpassen?

„Ja, daarom heb ik daarna ook geneeskunde gestudeerd. Ik was gewend om te doen wat van me werd verwacht, al deed ik alles met tegenzin. In de Griekse gemeenschap in Sydney heerst een enorme sociale controle. Iedereen kent elkaar. Die suburbs waren een verstikkend dorp. Als je daar iets ongewoons doet is er altijd wel een oom of tante die dat heeft gezien. En je doet in die kringen al snel iets ongewoons. Dame Edna was in die tijd veel op tv. Gek genoeg vond mijn conservatieve familie haar heel leuk. Maar mijn oma dacht dat zij een vrouw was.”

Wanneer durfde je uit te komen voor je homoseksualiteit?

„Toen ik 24 was, in Adelaide. Eigenlijk ben ik meer biseksueel, maar in de homowereld móét je kiezen, of homo of hetero. Dus ik werd gedwongen om uit de kast te komen. Ik begrijp het wantrouwen wel, hoor: de homogemeenschap is voor veel mensen heel belangrijk, voor mij ook. Maar de keerzijde is dat je je te veel gaat identificeren met je seksuele voorkeur, en mensen daarop gaat indelen, wat heel raar is eigenlijk. Naast homo ben je ook nog gewoon een mens. Mijn Nederlandse neefje van zeven had dat laatst ineens door. ‘O, jullie zijn homo’s!’ riep hij verbaasd. ‘Dus homo’s zijn gewoon mensen!’ Hij dacht dat de homo een Australische diersoort was, heel lief. In de transgenderwereld heb je travestieten, transseksuelen, vrouwelijke mannen, mannelijke vrouwen, dragqueens, drag kings, daar is geen strikte scheiding tussen.”

Je hebt de naam veel mensen in ‘drag’ te hebben gepraat.

„Ja, het is leuk om te zien dat mensen in mijn omgeving ook in travestie durven gaan. Ze voelen zich toch vrijer dan. Na mij deed mijn jongere broer het bijvoorbeeld, en in The House of Hopelezz, Jenny’s ‘familie’, zitten ook mensen die nooit eerder in drag waren verschenen.”

Houd je je als ‘allochtoon’ uit Sydney bezig met de situatie van homoseksuele allochtonen in Nederland?

„Het immigratievraagstuk interesseert me wel. De benauwende sociale controle in Turkse of Marokkaanse gemeenschappen herken ik uit mijn jeugd. Men probeert homoseksualiteit tegenwoordig bespreekbaar te maken in die kringen, maar ik weet niet of dat zin heeft, hoor. De eerste generatie Turken en Marokkanen gaat dat toch nooit accepteren, net zo min als mijn grootouders in Australië dat deden. Laat ze toch met rust, denk ik dan. Concentreer je liever op de jongeren die wel aan het veranderen zijn.”

Die jongeren lijken juist steeds agressiever te worden tegen homo’s.

„Kijk, mensen roepen dat allochtonen homoseksualiteit móéten accepteren, omdat ze anders geen Nederlander zijn en allochtonen reageren hun frustraties af op homo’s, want die zijn de zwakste schakel. Zo komen de culturen steeds meer tegenover elkaar te staan.”

Merk je zelf iets van die agressie?

„Als Jenny ben ik wel alert op straat, maar meestal krijgt zij juist positieve reacties. Die roept zij op. Ze zou nooit met iemand bekvechten, Richard wel. En zo leert hij van haar. In de loop der jaren zijn Jenny en Richard naar elkaar toe gegroeid.”

Raakt haar rol daardoor langzaam uitgespeeld?

„Nee, die verandert. Het is werk geworden. Laatst had ik het idee als Jenny de gemeenteraad in te gaan om met de aandacht die zij oproept iets proberen te veranderen aan de benepen seksuele moraal in Amsterdam. Maar dat vindt mijn man geen goed idee. Het zou te veel tijd gaan kosten. Misschien kan ik als Jenny ook op een andere manier iets bereiken in de politiek. Daar denk ik nu over na.”