Mijn eerste honderdduizend

Waarom zijn er zo weinig films en romans over rookverslaving? Zijn sigaretten dan niet boeiend? Een rokende redacteur over de memoires van een ex-roker.

Gregor Hens: Nikotin. S. Fischer 190 blz. €17,90

Rokers komen er in de letteren betrekkelijk bekaaid vanaf. Drugs en alcohol hebben onbetwiste meesterwerken opgeleverd van Moskou op sterk water van Venedikt Jerofejev tot A.F. Th. van der Heijdens Advocaat van de hanen en Hunter S. Thompsons Fear and Loathing in Las Vegas. Maar de sigaret?

Eigenlijk is er maar één algemeen erkende klassieker in de wereldliteratuur, waarin roken een fundamentele rol betekenis heeft: Bekentenissen van Zeno van Italo Svevo, waarin zakenman Zeno Cosini steeds opnieuw bezig is met het roken van zijn laatste sigaret. Zelfs Charles Bukowski, die niet alleen veel dronk maar ook stevig pafte, heeft de sigaret nooit op dezelfde wijze geëerd als hij de drank bezong.

In films speelt het roken wellicht een belangrijkere rol dan in de literatuur. Ondanks de sociale afkeuring die het roken tegenwoordig omgeeft, kunnen filmmakers vaak nog steeds niet zonder dit simpele, effectieve hulpmiddel om personages te duiden; de stoere roker, de opstandige roker, de verleidelijke roker, de hypernerveuze roker en de duivelse roker. Maar films die echt over roken gaan zoals Smoke van Wayne Wang en Coffee and Cigarettes van Jim Jarmusch, zijn nog steeds een zeldzaamheid.

Deze constatering roept natuurlijk de vraag op waarom roken zo zelden uitnodigt tot filmische en literaire reflectie. Voor rokers een ongemakkelijke, zelfs confronterende vraag: is roken eigenlijk wel zo boeiend? Investeren rokers een aanzienlijk deel van hun inkomsten, en hun gezondheid, in een achteloze bezigheid, die eigenlijk helemaal niet zo bijster interessant is?

Roken zou weleens de ultieme verslaving kunnen zijn. Ervaringsdeskundige Lou Reed vond afkicken van heroïne eenvoudiger dan stoppen met roken. ‘Nicotine is de ultieme drug’, zei hij ooit. ‘Als je een sigaret uitmaakt heb je meteen trek in een nieuwe.’ In dat opzicht zou het roken minstens zo interessant moeten zijn als andere verslavingen. Maar zelfs Lou Reed heeft nooit een lied over de sigaret geschreven dat zich laat vergelijken met zijn beste werk over drugs (‘Waiting For My Man’) of drank (‘Underneath The Bottle’).

Juist omdat de nicotineverslaving zo permanent aanwezig is bij de roker, en geen dramatische overgangen, geen evidente hoogte- en dieptepunten kent, blijft de sigaret relatief weinig bezongen. Waarschijnlijk komt dat ook doordat de nicotineroes zo licht is, en zo verweven met het dagelijks leven.

Roken is geen middel om een andere werkelijkheid te creëren, een ‘kunstmatig paradijs’, zoals sterkere genotsmiddelen, maar is een middel om de werkelijkheid te doorstaan. Anders dan de essayist Richard Klein beweert in zijn indertijd veelbesproken Cigarettes Are Sublime (1994) is de sigaret niet subliem. De ervaring van het sublieme valt immers per definitie buiten de alledaagse waarneming en werkelijkheid, en het roken bevindt zich daar resoluut binnen; roken is de niet-transcendente verslaving bij uitstek.

Ook de Duitse schrijver Gregor Hens (Keulen, 1965) lost dit probleem niet helemaal op in zijn in eigen land warm onthaalde rokersmemoires Nikotin. Eigenlijk zijn dit ook niet zozeer de memoires van een roker, maar van een stopper. Niet het roken is bepalend voor het drama, maar het stoppen. Interessant is dit boek eigenlijk alleen voor lezers die zich ergens in de schemerzone bevinden: rokers die echt willen stoppen, gestopten die heimelijk willen roken.

Hens schrijft mooi. ‘Ik heb meer dan 100.000 sigaretten in mijn leven gerookt en elk van die sigaretten heeft iets voor mij betekend.’ Een prachtige zin, begrijpelijk dat Hens er de eerste van zijn boek van heeft gemaakt, maar ook onzin. Als elke sigaret iets heeft betekend, is het begrip betekenis betekenisloos. Die al te gemakkelijke romantisering is echter een uitzondering in Nikotin. Meestal kijkt Hens betrekkelijk nuchter naar zijn verslaving. Hij heeft niets dan hoon voor de onderzoeken waaruit blijkt dat de overgrote meerderheid van de rokers zichzelf voor de gek houdt: van mening is niet verslaafd zijn en op elk gewild moment te kunnen stoppen. De verslaving maakt het immers onmogelijk om dit echt te willen. De hersens van de gemiddelde roker, schrijft hij, krijgen per dag zo’n driehonderd ‘mini-highs’ te verwerken, die het dopamine-niveau meetbaar verhogen, en de structuur van de hersenen permanent veranderen. Daar kom je niet zomaar in zes eenvoudige stappen vanaf, zoals de zelfhulpboeken beweren.

Nikotin leest als het verslag van het afscheid van een grote liefde en de daaropvolgende rouwperiode. Hens’ beschrijving van het roken van zijn eerste sigaret moet op jongere lezers overkomen als een bericht van een andere planeet. Kinderen worden tegenwoordig opgevoed met een panische angst voor het roken. Hens kreeg als jochie zijn eerste brandende sigaret in zijn handen gedrukt door zijn moeder, om er vuurpijlen mee aan te steken op oudejaarsavond. Beide ouders waren stevige rokers. Als kind dacht de jonge Gregor dat het beroep van zijn vader, die aan huis werkte, roken moest zijn; zoveel blauwe walm kwam er altijd onder de deur van zijn werkkamer vandaan als vader aan het werk was.

De romantisering van die eerste sigaret – als een fundamentele gebeurtenis die het leven verandert, wat de roker op het moment zelf ook beseft; de ervaring van tot jezelf komen – zal menig roker herkennen. Roken is onlosmakelijk verbonden met Hens’ ouders en zijn jeugd. Dat maakt dit boek ook een afscheid van die jeugd.

Zoals de roker zijn verslaving romantiseert, zo romantiseert Hens in Nikotin het stoppen; in die zin is hij inderdaad een roker gebleven. Hij schreef dit boek om in zijn besluit te volharden, hoewel hij zichzelf ook in gevaar bracht door zich zo intensief over het onderwerp te buigen. Honderdduizend sigaretten is trouwens veel minder dan op het eerste gezicht zou kunnen lijken. Hens had als vroege veertiger gemakkelijk het drievoudige daarvan bij elkaar kunnen roken. Hens was een stevige roker, maar een hopeloos geval is hij nooit geweest.