Kapelaan Cruijff

D e zomer – nou ja – heeft geen soelaas gebracht. Ajax is nog steeds een bordeel. Johan Cruijff liet verstek gaan bij de benoeming van de Raad van Commissarissen. Een absentie die door de mysticus uit Barcelona niet eens werd toegelicht. Terwijl de architect van het nieuwe Ajax wel de nodige tegenwind had gekregen van zijn collega-commissarissen. Vriendje Tscheu La Ling werd als beoogd algemeen directeur geruisloos afgevoerd.

Er kwam nog een klap na: bestuursvoorzitter Steven ten Have wierp meteen zijn schaduw vooruit als censuurmeester van het rumoerige clubicoon. Cruijff moet zich aan afspraken houden, blafte de omhooggevallen voetballeek. De wekelijkse column in De Telegraaf wordt nog gedoogd, maar nu dan als bespiegeling van een oude man die land en volk tegen het licht van Confucius houdt. Een beetje emmeren over Den Haag, het weer, reuma en dementie, dat werk – altijd vrijblijvend. Met zijn beproefde guerrilla tegen Ajax moet het afgelopen zijn.

De columnist voortaan als kapelaan.

Ook weer typisch Ajax: de nieuwe bestuursvoorzitter roept alreeds het zelfbeeld op van de almachtige. Hoe een kleedkamer er uitziet zou hij bij god niet kunnen vermoeden, maar dat mag zijn institutionele pretenties niet hinderen. Ten Have sprak meteen al met het timbre van een gouverneur, alsof hij aangekleed is met onomkeerbaar gezag. Hij heeft Cruijff als souffleur liever in Barcelona – als geleerde weet hij dat het grote denken toch een eenmanszaak is. Ook in de media.

Het voetbalbedrijf Ajax wordt dus onverminderd geleid door amateurs, jobhoppers en intriganten. De bestuurskamer swingt alleen maar van window dressing.

Kortom, alles is bij het oude gebleven.

Ik moet nog zien hoe lang Frank de Boer het in zijn reservaat van eenzaamheid volhoudt. Frank is een man van korte zinnen en rechte lijnen, ongevoelig en ongeschikt voor casuïstiek. De coach heeft al een paar keer van zijn hart een steen gemaakt, en nog steeds blijft hij hangen in de trapeze van tegenstrijdige belangen en ijdelheden. De irritatie neemt zienderogen toe. Frank loopt er met de dag norser bij. Deze coach is te nuchter om iets van kunst te zien in chaos.

De dag komt dat de Boer met de deuren slaat. Hij heeft de hitte van een koolschuur, niet van gedrapeerde salons waar de oeverlozen zichzelf alleen maar als gebakken ijsklontjes in de rondte kakelen. Hij is stijf in de leer van Bert van Marwijk: straight achter de bal aan, verder geen gezeur.

Ineens is het ras der diplomaten en Florentijnen verdwenen uit de dug-out. Langs de lijn staat nu een generatie coaches die zich niet langer laat inspireren door de flair van de stedeling Guus Hiddink. Plattelanders, beetje bot en kort van stof.

Gertjan Verbeek, Frank de Boer, John van den Brom, de twee Koemannetjes, Fred Rutten… aan gelikte of academische praatjes hebben zij geen boodschap. Zelf zijn ze allang miljonair en thuis hebben ze ook een oprit met palmbomen, maar hun couleur locale blijft dorps, zo niet toch provinciaals. De jacht op de status van wereldvreemde professor interesseert ze al helemaal niet. Grasvreters.

Bootje, slootje.

Alleen Co Adriaanse valt nog buiten de eenvormigheid van deze groep collega’s. Co is meer keuzeheer dan coach. Hij is heer, tout court. Eigen taaltje, eigen maniertjes, eigen tics van voornaamheid. En ook: opvallend mooi gekleed. Afgeborsteld. Geen slons in vodden. Co is bijna de anti-coach in het Nederlandse voetbal. Zijn bescheiden komaf is helemaal vervluchtigd in een soort esthetisch model van hem alleen.

Adriaanse is nog de enige buitenlandse coach in de Nederlandse competitie.