Je mag best spreken van land grabbing in Afrika

Het is waar wat René van Slooten schrijft: westerse donoren en Afrikaanse regeringen hebben de landbouw in Afrika verwaarloosd (Opinie, 27 juli). Veel maatschappelijke organisaties daarentegen zijn hierop een uitzondering – Oxfam Novib besteedt bijna de helft van haar budget aan landbouw en structurele economische ontwikkeling. Wij roepen overheden en donoren regelmatig op dat voorbeeld te volgen. Een veel serieuzere landbouwstrategie had de crisis in Oost-Afrika deels kunnen voorkomen. Tegelijk wijst Thea Hilhorst (Opinie, 25 juli) terecht op de tragiek in landen als Somalië, waar een ontbrekende overheid en een jarenlang conflict die structurele aanpak bemoeilijkt.

Het is waar dat steden groeien en veel landbouwgrond verslechterd is, en dat er gelukkig ook kernen van ontwikkeling ontstaan. Maar het is cynisme om te suggereren dat investeringen in onderwijs en gezondheidszorg slechts overbevolking en armoede hebben gebracht: ze hebben ook gezorgd voor de slimme en gezonde Afrikanen die letterlijk die nieuwe ontwikkelingen belichamen.

Ook zijn het niet de verlaten en eroderende hectares die de aandacht hebben getrokken van nieuwe investeerders, die Van Slooten geen land grabbers wil noemen. Het zijn juist de vruchtbare stukken land en de schaarse waterbronnen waarin de investeerders – ook uit het Westen – geïnteresseerd zijn. Vaak is dat land waar wel degelijk mensen op wonen, waar zij hun kuddes laten grazen of waar zij op andere manieren van afhankelijk zijn. Het zijn doorgaans de nationale of lokale elites die de grootschalige land-deals sluiten. Zelden kun je spreken van een eerlijke onderhandeling. Vaak worden bestaande gebruiksrechten met voeten getreden en in het ergste geval worden mensen van hun land gezet en hun waterbronnen ingepikt. Dat mag je toch wel degelijk landroof, of land grabbing, noemen.

Farah Karimi

Algemeen directeur Oxfam Novib