Interview

Er zijn twee soorten interviewers.De ene heeft de map met de vorige vraaggesprekken uit het archief gehaald en ijverig bestudeerd. Daardoor komt het dat ze weer precies hetzelfde vragen als alle anderen. „U heeft eens gezegd....”

En dan mag je het opnieuw vertellen, weer in je eigen woorden.

De ander zegt: „Ik weet niets van u, want ik wilde geheel blanco tegenover u zitten...” De schrik slaat mij dan altijd om het hart, ten onrechte, want het resultaat is hetzelfde. Ze vragen precies dat wat in die map staat die ze niet hebben doorgenomen.

Soms komen ze, geheel onverwacht, als vanuit een hinderlaag, met een vraag waar je eigenlijk geen antwoord op hebt. „Waarom schrijft u?” Of: „Waar haalt u uw ideeën vandaan?”

Mijn Engelse collega Glen Baxter zei dan altijd zoiets als: „Die haal ik op een rommelmarkt in België.” Of ook wel: „Die betrek ik bij een haringstal in Amsterdam.” Wijlen Karel van het Reve had daar een briljante oplossing voor.

Die zei eenvoudigweg: „Dat weet ik niet!” Op zo’n toon dat het geen zin had er verder op door te gaan.

Ik ben eens geïnterviewd door een leerling-journaliste, urenlang, in een café met koffie en appeltaart. Zij vroeg op een goed moment: „Wat inspireert u?” Wat te zeggen? „Tja....wat inspireert mij?...eh....” Terwijl ik moeizaam probeerde een adequaat antwoord te formuleren, stond een man aan een belendend tafeltje op, nadat hij had afgerekend. Hij had kennelijk meegeluisterd, want in het voorbijgaan siste hij: „Laat die man toch met rust!”

Het meisje barstte in snikken uit. Terwijl ik haar probeerde te troosten door mijn hand op haar schokkende schouder te leggen, mompelend „trek het je niet aan”, dacht ik: wat zou er gebeuren als ik tijdens een volgend interview nou eens op MIJN beurt in huilen zou uitbarsten?