Een jood en zijn Siamese dilemma

Chaja Polak: De verlegen minnaars. Contact, 208 blz. € 17,95

Een allesbeslissende dag op het landgoed, zo zou de kortste synopsis kunnen luiden van De verlegen minnaars, de deze week verschenen roman van Chaja Polak.

De verlegen minnaars uit de titel zijn de Siamese tweeling Monne en Maurits en de roman speelt zich af op de dag die hun toekomst zal bepalen: hun moeder wil de jongens operatief laten scheiden, hun vader verzet zich tegen die riskante operatie, en trouwens ook tegen de gedachten om zijn ‘engelen' van elkaar los te maken. ’s Avonds wordt er over hun lot besloten, tijdens een diner met de ouders, de arts en de zus van de vader.

Die vader, Nathan, is de eigenlijke hoofdpersoon van het boek, hij vreest overweldigd te worden door de argumenten van de anderen. Zijn vrouw, van wie hij al grotendeels is vervreemd, verwijt hem dat hij hun kinderen een ‘normaal’ leven ontzegt. Hij laat ze nooit het landgoed verlaten, leveranciers mogen het terrein niet op en hij onderwijst de kinderen zelf. In feite heeft hij ze in de onderduik genomen.

Polak (1941) beschrijft met veel gevoel voor sfeer de groeiende paniek van Nathan, die inmiddels zo ver gaat dat hij pleisters over de ogen van beeldhouwwerken plakt, een daad die al helemaal aan het begin van De verlegen minnaars een gevoel van dreiging oproept. ‘Vaak als hij zijn kinderen gadeslaat bekruipt hem het unheimliche gevoel dat, mochten ze God verhoede ooit van elkaar gescheiden worden en elkaars nabijheid in de toekomst moeten missen […] dat zij dan overgeleverd zouden zijn aan alle pijn en verdriet op aarde.’

Alle pijn en verdriet op aarde. Op de achtergrond van De verlegen minnaars spelen de wonden die door de geschiedenis aan de familie van Nathan zijn toegebracht. Daarbij komen het verdriet en de pijn uit het heden. De moeder van de tweeling – Alice, niet joods – heeft zich van de kinderen afgekeerd. Ze zegt dat ze best moeder had willen zijn van normale, losse kinderen, verklaart ook steeds dat ze de jongens een normaal leven gunt, een term die bij Nathan angst en walging oproept. Beide ouders worden gedreven door schaamte: Alice wil daarom hun afwijking opheffen, Nathan wil ze afwijkend houden, maar ze verstoppen.

Polak zet de dilemma’s rondom de Siamese tweeling terloops en helder uiteen, maar ook een beetje braaf. De kalmte waarmee ze haar verhaal vertelt, stelt je geduld wel erg op de proef. Zoals ook de symboliek er soms wat al te dik oplicht, bijvoorbeeld wanneer Nathan zijn zoontjes herhaaldelijk als ‘engelen’ aanduidt. De meeste bite van het boek zit in de mechanismen van verbinden en scheiden – en dus van solidariteit. In de loop van zijn leven is Nathan aanmerkelijk bedrevener geweest in scheiding dan in verbinding; Alice is zijn derde vrouw, haar meest geliefde voorgangster is door Nathan op wrede wijze verjaagd; hij kan het zich amper herinneren.

Ook de relatie met zijn zus, degene die haar neefjes liefkozend ‘De verlegen minnaars’ noemt, staat onder druk. Nathan vreest dat zij hem niet zal steunen in de operatiekwestie. Ook de verhouding tussen Nathan en de arts is dubbel. Ze zijn studievrienden, ‘naar elkaar gedreven door verholen en onverholen antisemitisme in hun jaarclub’, maar nu lijkt de dokter bereid de kinderen te opereren, waarmee hij zijn oude verbond met Nathan definitief zou verbreken.

Uiteraard verloopt het etentje anders dan verwacht, zij het niet door de radicale wending waar Polak een aantal keren op lijkt te preluderen. Het geeft een passend slot aan een mooie, maar hier en daar wel erg ingehouden roman. Een beetje verlegen, om in de terminologie van de titel blijven.