De seksen mogen weer verschillen. Heerlijk! Toch?

Jongens en meisjes worden weer in blauw en roze gehesen, hun hersenen zijn immers anders. Herman Stevens ziet veel ellende in het verschiet.

Wie herinnert zich nog de tijd dat kleine meisjes speelden met brandweerwagens en jongetjes hun teddybeer in bed stopten? Het is nog maar 35 jaar geleden, één volle generatie, en toch lijkt het de prehistorie, de tijd dat ouders dachten dat seksegedrag in kinderen helemaal een kwestie van opvoeding was. Nurture. Niet nature. Kinderen kwamen blanco ter wereld en als je meisjes een brandweerwagentje gaf en jongetjes uit de buurt hield van pistooltjes, kwam die brave new world zonder vooroordelen over hoe mannen en vrouwen in elkaar zaten, er vanzelf aan.

Die kindertjes van toen zijn inmiddels opgegroeid en voeden nu hun eigen peutertjes op, en als je één ding telkens weer hoort – op de speelplaats, bij de kinderopvang en bij de borrel, overal – is het dat jongetjes en meisjes totaal verschillend zijn. Het kan kennelijk niet vaak genoeg worden gezegd. Jongetjes zijn blauw en meisjes zijn roze. Meisjes bemoeien zich met elkaar, en jongens noteren wat voor auto’s er op de straat staan geparkeerd.

Er klinkt altijd een grote opluchting, wanneer ouders vaststellen dat de natuur het nu eenmaal zo heeft geregeld. Jongetjes komen van Mars en meisjes van Venus. Dat geeft zekerheid. Er zijn nog genoeg andere dingen om over te piekeren, zoals hoe je ervoor zorgt dat de kinderen later op de beste school komen.

Er is veel onderzoek dat lijkt te bevestigen dat jongens en meisjes, mannen en vrouwen, verschillend in elkaar zitten. Niet alleen zacht onderzoek, maar ook brainscans laten het zien. Er zitten alleen een paar problemen aan dit onderzoek, zoals Sanne Bloemink (bekend van haar boek Hypermama’s) eerder dit jaar in weekblad De Groene liet zien. Veel van dit onderzoek komt uit Amerika, een land waar vanouds een diepe kloof ligt tussen mannen en vrouwen. De kinderen in dit onderzoek zijn andere kinderen dan rondlopen in ons land of in Scandinavië. En toch geldt het Amerikaanse onderzoek als universeel maatgevend. Hersens blijven toch hersens?

Hersens zijn in zoverre overal hetzelfde dat ze bij iedereen anders zijn. Steeds meer wijst de neuropsychologie op de plasticiteit van ons brein. Onze hersens groeien mee met de kennis die we opdoen. Dit geldt vooral voor kleine kinderen, maar ook bejaarden worden aangemoedigd frisse ervaringen op te zoeken omdat de plasticiteit van nieuwe vergezichten Alzheimer buiten de deur helpt houden. Zeg elke dag dat pindakaas voor jongens is en honing voor meisjes en ze eten niet anders meer. Vertel een meisje stelselmatig dat ze voorzichtig moet zijn en de timiditeit zal postvatten in haar hersenstructuur. En zo komt het dat brainscans laten zien dat jongetjes en meisjes anders in elkaar zitten.

Nederlandse jongens en meisjes gaan stukken makkelijker met elkaar om dan kinderen in Amerika. Jongens kijken niet tegen meisjes aan alsof het geheimzinnige wezens van een andere planeet zijn. Meisjes zijn niet bang van jongens, en zien ze ook niet als deerniswekkende dombo’s. Maar dit is wel aan het veranderen onder invloed van Amerikaanse tv-programma’s, muziek en alle producten van het Disney-imperium. Daarbij komt nog de invloed van klasgenootjes wier ouders uit Marokko of Turkije komen, die van huis uit een nogal gepolariseerde kijk hebben op hoe jongens en meisjes zich horen te gedragen. Op menig schoolplein heerst al de apartheid van meisjes aan de ene kant en de jongetjes aan de andere. Steeds vaker klinkt de roep dat jongens mannelijke onderwijzers moeten krijgen om de feminisering van het onderwijs tegen te gaan. Nog even en we krijgen aparte scholen.

En wat dan nog? Wat is er verkeerd aan om jongens lekker jongens te laten zijn en meisjes te laten genieten van hun prinsessenjaren? Ouders van nu zijn niet zo moralistisch meer als vroeger, en ze krijgen ook minder kinderen. Des te meer ruimte om aan hun wensen toe te geven.

Daarbij komt nog het huidige geloof in de evolutionaire biogenetica, waarbij jongens- en meisjesgedrag wordt herleid tot speculatie over hoe onze voorouders zich honderdduizend jaar geleden op de savanne staande hielden. Het is een reactie op de vorige generatie die dacht dat de mens maakbaar was. Nu geloven we dat alles al vastligt in ons dna. Maar deze reactie berust niet op voortschrijdend inzicht. Het is gewoon een verwerping van het voorgaande.

Ik kleed mijn dochtertje ook graag in roze, ook al is er een goede kans dat iedereen over twintig, dertig jaar meewarig zal kijken naar de foto’s van al die roze meisjes van nu. Niemand verlangt terug naar de tijd dat jongetjes en meisjes allemaal in dezelfde spijkerbroek werden gehesen. Maar dat maakt het niet minder zorgelijk hoe ouders van nu hun dromen van prinsesjes en survivor-jongetjes uitleven op hun kinderen. Ook dit is een fantasie van maakbaarheid, alleen zijn de architecten van deze stereotypen geen drammerige sociologen. Het zijn de fabrikanten van alle accessoires waarvan onze kasten uitpuilen, de populaire biogenetici en schrijvers van breinboeken.

Het lijkt alemaal zo onschuldig, maar in het verlengde van die stereotypen liggen de jonge vrouwen met eetproblemen, dik of dun, en mannen die zich geen raad weten met het werkelijke leven zoals het zich afspeelt tussen man en vrouw. En daarachter liggen weer de peilloze echtscheidingscijfers zoals we die uit Amerika kennen. Dan is het nog niet zo’n slecht idee om jongetjes en meisjes weer gewoon met elkaar te laten spelen.

Herman Stevens is schrijver. Zijn roman ‘Vaderland’ verscheen vorig jaar.