Van 1 euro per cd kan zelfs een rockster niet leven Rockster zoekt bijbaan

Popmuzikanten hebben een doe-het-zelfmentaliteit – en daar hoort hengelen naar subsidies niet bij.

Maar rondkomen van muziek alleen is moeilijk.

Wat hebben Eefje de Visser en David Pino van Happy Camper met elkaar gemeen? Ze boekten het afgelopen jaar succes met hun album en hun optredens, én ze hebben er een baantje bij om dat eigen succes te bekostigen. Eefje de Visser bijvoorbeeld, werkt in de thuiszorg.

Ze is de enige niet. Tim Knol werkte vorig jaar nog achter de toonbank van de Amsterdamse platenzaak Fame, Roos Rebergen (Roosbeef) stond achter de bar in een Utrechts café, Marien Dorleijn van Moss werkte in een bouwmarkt in Utrecht. Het zijn maar een paar voorbeelden.

Zo’n 200 miljoen euro zal staatssecretaris Halbe Zijlstra (Cultuur, VVD) bezuinigen op kunst en cultuur. In de kunstwereld in het algemeen, en in de dans, theater en klassieke muziek in het bijzonder, is het protest groot.

Ook in de popmuziek klinkt gemor, omdat Muziek Centrum Nederland dreigt te worden opgeheven – en daarmee het populaire MusicXport. Met die subsidie kunnen artiesten een buitenlandse tournee financieren en kunnen hun managers hun kennis vergroten in het buitenland. Maar vergeleken met het geschreeuw uit de andere kunstsectoren blijft het in de popmuziek opvallend stil.

Begrijpelijk. Want van oudsher hebben popmuzikanten een doe-het-zelfmentaliteit. Daar hoort het hengelen naar overheidssubsidies niet bij. Nee zeg, muzikanten, producers, platenmaatschappijen en pluggers hebben wel wat anders te doen dan zich naar subsidiestad Den Haag te begeven. Voor hen gloort het goud in Hilversum. Wie erin slaagt zijn plaat op de radio te krijgen, heeft toegang tot de markt.

Die doe-het-zelfmentaliteit legde de Nederlandse pop de afgelopen jaren geen windeieren. Sterker, de Nederlandse pop stond er zelden zo goed voor. Zonder subsidie – heet het. Maar dat is niet helemaal waar. Alleen laat overheidssubsidie zich moeilijk meten. Muziek Centrum Nederland schatte de jaarlijkse subsidie vorig jaar aan alle professionele muziek in Nederland op 260 miljoen euro.

Daarvan ging zo’n 21 miljoen naar popmuziek. Een belangrijk deel van die gelden, 19 miljoen euro, was afkomstig van de gemeenten. Provincie en Rijk investeren nauwelijks in popmuziek. De gemeenten investeren vooral in ‘bakstenen’; in poppodia dus en, in mindere mate, festivals.

De directe rijkssubsidie voor popmuziek komt uit op een krappe 2 miljoen euro per jaar. En die gaat op aan festivals als Amsterdam Dance Event en Noorderslag, Muziek Centrum Nederland en projectsubsidie voor buitenlandse tournees, aan het maken van een videoclip of aan het schrijven van een aantal nieuwe composities.

Verder moet de popmuzikant het vooral alleen rooien – al dan niet achter de kassa of achter de bar of, zoals Spinvis aan het begin van zijn carrière, als postsorteerder in de nacht.

En toch maken muzikanten albums – bij de vleet zelfs. Er zijn grofweg twee manieren om een cd te maken. Een muzikant kan met hulp van een platenmaatschappij een plaat opnemen. Of hij neemt de plaat zelf op, maar krijgt dan vaak later problemen met de distributie en de promotie.

Neemt de platenmaatschappij de kosten voor zijn rekening, die tussen de 15.000 en 20.000 euro liggen, dan wordt het label eigenaar van de opnamen. Om die investering terug te verdienen moet het tussen de 2.000 en 5.000 exemplaren verkopen. Eén op de drie albums, schat eigenaar Ferry Roseboom van platenlabel Excelsior, levert geld op. De artiest krijgt in dat geval royalties, wat neerkomt op 1 à 3 euro per verkochte cd.

Structurele subsidie voor groepen, zoals die bestaat voor theatergezelschappen, is er bijna niet. Maar moet je popmuziek wel wíllen subsidiëren? Roseboom van Excelsior denkt lang na. Dan zegt hij, aarzelend: „Ja. Toch. Om het experiment aan te gaan. Ik kan niet drie maanden de Wisseloord Studio’s afhuren en tegen Anne Soldaat of Spinvis zeggen: ‘Maak maar iets moois’. Nu pleit ik niet voor zakken geld uit Den Haag om stuk te slaan in dure studio’s, maar ergens is er een middenweg. Daar kunnen artiest, ondernemer en overheid samen iets moois maken.”