Tuinman in Monets paradijs

De romantische tuinen waar Monet zijn waterlelies schilderde trekken jaarlijks duizenden bezoekers. James Priest is er net de baas geworden. Als Brit moet hij voorzichtig omgaan met het Franse erfgoed. Maar de betonnen paadjes moeten weg, die horen hier volgens hem niet.

Mandatory Credit: Photo by Rii Schroer / Rex Features ( 1316417a ) Newly-appointed head gardener James Priest on a Japanese bridge across a water lily pond at Claude Monet's garden in Giverny New English head gardener James Priest at Monet's garden, Giverny, Normandy, France - 06 May 2011 A British man has been appointed to one of the most prestigious jobs in horticulture - caring for Claude Monet's famous water lillies. 53-year-old James Priest from Maghull near Liverpool has been made head gardener at the painter's gardens at Giverny in Normandy. This five-acre garden provided inspiration for some of Monet's most famous impressionist paintings, including his famed water lillies. Monet designed the garden, including its water lily ponds, himself and maintained them impeccably. However, following his death the house and garden fell into disrepair until restoration work began in the late 1970's. Gilbert Vah Rii Schroer / Rex Features

James Priest staat op een bruggetje dat uitzicht biedt op de weelderige waterpartij, in Japanse stijl, in de tuin van Claude Monet, en hij is tevreden met wat hij ziet.

Op deze plaats schilderde Monet zijn serie waterleliedoeken die te zien zijn in het Musee de l’Orangerie in Parijs.

„Sommige mensen gaan dat museum in en zeggen: ‘wauw...,’” zegt Priest. „Maar ik krijg dat gevoel als ik hier sta. Als je dit ziet gaat je hoofd tollen. Het laat je hart sneller kloppen – net als bij Monets schilderijen.”

Priest, die Brits is, vindt het ’s avonds nog mooier in de tuin, als de bezoekers vertrokken zijn. En hij kan van dat rustige uitzicht in zijn eentje genieten wanneer hij maar wil. Afgelopen maand is hij begonnen als hoofdtuinman in het tuinpark dat Monets roze gepleisterde landhuis hier omringt, het huis waar de schilder de laatste veertig jaar van zijn leven doorbracht.

Zonder veel gedoe kon deze iconische Franse tuin aan nota bene een Engelsman worden overgedragen, zegt hij. Maar hij verbleekt wel even als hij de vraag krijgt of delen van deze tuin – met een wirwar aan bloemen – meer de Engelse tuinenstijl representeren dan de strakke, symmetrische Franse tuinen. „O, dat moet je niet zeggen,” zegt hij met heel lichte paniek in de ogen. „Dit is een unieke tuin, noch Frans noch Engels. Dit is een kunstenaarstuin, een tuin van een dromer. Dit is Frankrijk,” voegt hij toe, „Ze hebben mensen hier het hoofd afgehakt voor minder boude uitspraken.”

Priest, 53, zegt dat hij de tijd zal nemen om te beslissen wat hij gaat doen in de tuin, die in twee delen is verdeeld. Rond de waterpartij hoeft hij weinig te veranderen, denkt hij. Maar dichter bij het huis zijn er delen die niet meer zo zijn als ze oorspronkelijk waren. Hij wijst bijvoorbeeld naar een bloembed met felrode Crocosmia, een van oorsprong Zuid-Afrikaanse bloem, waarover Monet nooit de beschikking kan hebben gehad. Ook wijst hij naar verschillende bloembedden die ooit bloemen in één kleur hadden, maar tegenwoordig vol verschillende bloemen staan.

Maar hij staat nog maar aan het begin van het doorgronden van Giverny, zegt hij. De tuin is zeven maanden van het jaar opengesteld voor het publiek, en trok in 2010 meer dan 500.000 bezoekers. Monet, vertelt Priest, hoefde niet heel de tuin al die tijd weelderig en bloeiend te houden voor de bezoekers, die vaak voor een foto poseren tussen de planten. Monet richtte zich op bepaalde stukken die hij schilderde, terwijl de bloemen op andere konden bloeien en verleppen.

„Monets tuin had bijvoorbeeld geen betonnen paadjes,” zegt Priest. „Maar tegenwoordig zijn die noodzakelijk. Je moet schipperen tussen de puristische en de praktische benadering. Neem de irissen. Die zie je veel op zijn schilderijen. Maar kijk daar nu naar. Ze zijn verwelkt. Dus moet je andere bloeiende bloemen hebben langs de paden die dat impressionistengevoel geven.”

Priest is opgegroeid in Engeland en studeerde daar tuinieren, maar woont al zo’n 30 jaar in Frankrijk. Hij is getrouwd met een Française en zorgde eerder voor de tuinen van de erven van de familie Rothschild in Chantilly, aan de randen van Parijs, genaamd Royaumont.

Aanvankelijk wilde Priest voortvarend te werk gaan in zijn nieuwe baan in Giverny. Maar nu hij de laatste weken veel interviews heeft gegeven, komt hij daar van terug. Hij voelt het gewicht van de zorg voor een van Frankrijks beroemdste tuinen nu meer op zijn schouders rusten. „Ik weet dat het raar klinkt,” zegt hij, „maar ik begin me er stukje bij beetje bewust van te worden wat voor aura er rond deze plaats hangt. Ik was aanvankelijk nogal naïef, eigenlijk.”

Zijn familie had een grote tuin toen hij opgroeide, en zijn vader hield tuinierwedstrijden voor de kinderen. Priest zegt dat hij ieder jaar won – maar dat zeggen zijn broers en zussen ook. Zijn vader wilde niemand kwetsen. En het was zijn vader die suggereerde dat hij van tuinieren zijn beroep moest maken. Priest ging naar de tuinbouwschool, en werkte vanaf zijn 18de in Frankrijk bij een tuinarchitect. Een paar jaar later ging hij terug naar Engeland om een studie te volgen in de Royal Botanical Gardens in Kew.

Monet had aanvankelijk het geld niet om het huis in Giverny te kopen. Maar uiteindelijk kon hij het zich wel veroorloven en woonde er 43 jaar in. Hij liet er een kas bouwen, een schildersatelier toe te voegen en tuinmannen in te huren. Hoewel hij in het begin ook zijn kinderen dwong om in de tuin te werken. Op zijn oude dag waakte hij streng over zijn tuin, en liet hij maar zelden bezoekers toe.

Na zijn dood in 1926 bleef het huis tientallen jaren leeg staan, en verwilderde de verwaarloosde tuin. De zoon van Monet benoemde de Academie des Beaux-Arts als zijn erfgenaam in 1966. Tien jaar later nam de Franse conservator Gérald van der Kemp (1912-2001), die ook de leiding had over de restauratie van Versailles, de taak op zich om Monets erfenis te restaureren. Hij deed moeite om mensen te achterhalen die er in Monets tijd geweest waren, en probeerde de tuin in zijn oude staat terug te brengen. Maar volgens Priest waren de meesten bejaarden die zich probeerden te herinneren wat ze in hun jeugd hadden gezien.

Het is niet altijd gemakkelijk uit te vogelen hoe de tuin er ooit uitzag. „We weten dat hij geraniums had, want we hebben een foto met geraniums erop”, zegt Priest. „Maar dat was in een bepaald jaar. We weten niet of die er altijd waren. Monet veranderde voortdurend dingen in de tuin.”

Voor Priest is de tuin een succes als die tot op zekere hoogte de essentie van het impressionisme weet te vangen, met zijn heldere kleuren en gevoel van vrolijkheid. „Het werkt als je voelt wat er op die schilderijen was weergegeven,” zegt hij. „Kunstenaars die hier langskomen spreek ik steeds aan en vraag ze: ‘Geeft deze tuin je het gevoel van de impressionisten?’”

Als jongere man was Priest gek op de impressionisten, zegt hij, maar tegenwoordig trekken de oude meesters hen meer. Hij vertelt dat hij de tuin nog minstens een jaar verder wil bestuderen, en met de tuinmannen wil praten die er werken, voor hij echt zaken wil veranderen. „We hebben tuinmannen die hier al 25, 28 jaar werken. Die moet je respecteren. Het succes dat de tuin tot nu toe had is hun succes, en ik wil begrijpen wat zij hebben gedaan.”

© The New York Times