Soms neemt het gevoel de overhand

Ogen zo groot als schoteltjes, glanzende, donkerbruine irissen in een smal, doodshoofdachtig gezicht. Daaronder ribben, stakerige ledematen. Je gelooft bijna niet dat mensen er zo uit kunnen zien. En toch aarzel ik om geld te geven. Je zou willen dat er een heldere logica zat achter de vlagen altruïsme die je soms tentoonspreidt. Dat is

Ogen zo groot als schoteltjes, glanzende, donkerbruine irissen in een smal, doodshoofdachtig gezicht. Daaronder ribben, stakerige ledematen.

Je gelooft bijna niet dat mensen er zo uit kunnen zien. En toch aarzel ik om geld te geven.

Je zou willen dat er een heldere logica zat achter de vlagen altruïsme die je soms tentoonspreidt. Dat is ook misschien zo, bij sommige mensen. Bij mij niet.

Op reis in verre, vaak arme landen, moet je een manier zien te vinden om met bedelaars om te gaan. Ik leerde dat de wereld van bedelaars ingewikkelder was dan ik had gedacht: bedelende kinderen werkten vaak voor een soort bedelpooier, aan wie ze aan het eind van de dag hun geld moesten afstaan. Soms mismaakten mensen zichzelf of hun kinderen, omdat ze op die manier meer verdienden. Ook bestonden er ‘begging baby’s’: baby’s die je kon huren voor een dag, om zo meer geld binnen te brengen – met een baby op de arm is iedereen meelijwekkender. De baby’s die het hardste huilden, waren het duurst.

Ik besloot om geen geld meer te geven aan bedelaars. De kans dat ik een verwrongen, corrupt, systeem in stand hield, was mij te groot.

Na een tijd begon mijn principiële systeem te tanen. Ik liep langs mensen die aan de rand van de straat lagen, vervuild, hun handen en voeten kromgetrokken. Deze mensen zijn ziek, dacht ik. In een samenleving zonder sociale zorg, verzekerd van een status als outcast, hebben ze geen schijn van kans. Soms doneerde ik mijn kleingeld weer in hun papieren bekertjes. Ook begon ik kinderen iets te eten te geven, als ik het toevallig bij me had. Als ze vervolgens onderling ruzie kregen, probeerde ik dat te negeren.

Er waren wel principes, gestoeld op verhalen, ervaringen van journalisten, op de glimp die ik kon begrijpen van de complexiteit van zulke situaties. Maar dat andere verdween nooit: schuldgevoel. Medelijden. Het besef van het krankzinnige verschil van werelden. Het gevoel: al mijn principes gaan de realiteit dat jij je op dit moment ellendig voelt, niet voorkomen.

Nu is er een soortgelijk dilemma. Ik weet dat noodhulp vaak tekortschiet, in sommige gevallen zelfs een geheel ander resultaat geeft dan gewenst – het is niet zo simpel als ‘jij hebt honger, wij hebben eten’. Ook deze situaties zijn complex. En ook hier probeer ik principes te handhaven, wil ik voorkomen dat ik door geld te geven een verkeerd systeem in stand hou. Ik heb een licht wantrouwen naar de efficiëntie binnen grote organisaties. Er is het idee dat we met noodhulp het continent niet écht helpen – niet als het Westen oneerlijke handelsverdragen en landbouwsubsidies blijft houden. Er is mijn overtuiging dat geld niet werkt, maar dat iedereen vooral zijn talenten zou moeten inzetten voor een betere wereld.

En daarnaast is er vooral het gevoel: al mijn principes gaan de realiteit dat zij op dit moment massaal sterven, niet voorkomen.

Ik heb geld gestort, in de hoop dat het helpt. Het gevoel neemt soms de overhand.