Smokkeloorlogje in Kosovo

Kosovo mag dan sinds februari 2008 een soevereine staat zijn, het is nog steeds een verdeelde natie en verdeelt ook nog altijd de wereld.

De rellen bij de grensposten in Jarinje, waarbij een Kosovaarse politieman om het leven kwam, zijn daarvan nu de uiting.

Twee jaar na dato kent Kosovo geen rust, ondanks de massale aanwezigheid van een vredesmacht van de NAVO en adviseurs van de EU.

In Kosovo accepteert de Servische minderheid het politieke gezag van Pristina niet. De Serviërs maken circa 8 procent van de bevolking uit en wonen veelal bij elkaar in het noorden bij Mitrovica en in de zuidelijke enclave Štrpce. Ze hebben hun eigen economie die draait op (smokkel) handel en op de Servische dinar. De Kosovaren rekenen in euro’s. Deze minderheid wordt gesteund door de nationalistische krachten in Servië, die zich niet willen neerleggen bij de huidige status-quo.

Omgekeerd wil de regering van Kosovo haar jurisdictie aan de grens eindelijk eens afdwingen. Geen enkel land kan zulke ongeautoriseerde smokkelzones tolereren. Het optreden van de politie in Jarinje was dan ook een billijke actie. Het feit dat de politiemacht door Servische Kosovaren is verjaagd, kan Pristina dus niet over zijn kant laten gaan. Ook niet nu NAVO-troepen van KFOR er patrouilleren en de rust wat lijkt te zijn weergekeerd.

Het is geen toeval dat premier Thaci van Kosovo parallelle Servische „stucturen” (lees: op afstand Belgrado) ervan beschuldigden de hand te hebben in de gewelddadige incidenten. Om daar de angel uit te halen noemde president Tadic van Servië de bestorming van de politiepost in Jarinje het werk van „vandalen” die de bilaterale dialoog willen ondermijnen. Tadic wil het grensincident zo klein mogelijk houden.

Maar ook Tadic weet dat zijn gezag bij veel etnische Serviërs gering is, omdat hij wordt gezien als een man die allerlei concessies doet om bij de EU in het gevlij te komen. Hij moet dus op eieren lopen. Vandaar dat de Servische regering de kwestie vandaag via Rusland op de agenda van de Veiligheidsraad wil krijgen. Rusland is – overigens net als Spanje en vier andere EU-lidstaten – een van de 77 landen in de wereld die Kosovo nog altijd niet hebben erkend. Vandaar ook dat de EU, die het geweld in Jarinje „ontoelaatbaar” heeft genoemd, nu snel probeert te bemiddelen.

Bemiddeling is inderdaad de enige weg. Van Servië kan niet worden geëist dat het Kosovo nu maar erkent. Die wond van gekrenkte trots is nog te vers. Maar van Belgrado kan wel worden verlangd dat het handel met Kosovo toestaat, zoals Pristina geen olie op het vuur moet gooien.

Bij handel heeft iedereen belang. Want uiteindelijk is handel de beste smeerolie voor de normalisering van de bilaterale betrekkingen.