Servië en Kosovo praten aan tafel en schieten aan grens

Schietpartijen op de rand van Servië en Kosovo vestigen de aandacht op een zweer op de Balkan die nog steeds voor verdeeldheid in Europa zorgt.

Belgrado. - Kosovo geldt al jaren als veilig. Het aantal NAVO-militairen in de voormalige Servische provincie wordt in hoog tempo teruggebracht, van 50.000 in 1999 naar 6.000 nu. Hun zichtbare aanwezigheid is vooral preventief. Alleen in het noorden, vlakbij de grens met Servië, zijn nog geregeld schermutselingen.

In de grensregio is de meerderheid van de bevolking Servisch. Ze erkennen het bestaan van de grens en de door Albanezen gedomineerde regering in de Kosovaarse hoofdstad Pristina niet. EU-politie ziet toe op de grensovergangen Brnjak en Jarinje, maar dwingt handhaving van de regels niet af. Het is niet duidelijk wiens wetten gelden.

Dat maakt het gebied ten noorden van de rivier de Ibar een paradijs voor smokkelaars. Toen de regering in Pristina op 20 juli besloot import uit Servië te verbieden, had dat daar geen effect. Daarop besloot de regering te laten zien wie de baas is in het noorden. Eenheden van de speciale politie probeerden de twee grensovergangen in te nemen, maar raakten in gevecht met Serviërs.

Kosovo spreekt in Europese extremistische kringen tot de verbeelding, zoals deze week weer bleek uit de geschriften van de Noor Anders Behring Breivik. Hij noemt de Noorse deelname aan de NAVO-bombardementen op Servië (‘onze broeders’) en Kosovo (‘islamitisch bruggehoofd in Europa’) in 1999, in zijn Europese Onafhankelijkheidsverklaring doorslaggevend voor zijn ontwikkeling.

Breivik echoot de opvattingen van nationalistische Serviërs die in de strijd om de zeggenschap in Kosovo vooral een religieus conflict zien. Voor hen is Kosovo, waar in 1389 een belangrijke slag werd geleverd (en verloren) tegen de oprukkende Turkse bezetter, heilige grond. De meerderheid van de bevolking (tussen 1,7 en 2 miljoen) is etnisch Albanees, overwegend moslim en riep in februari 2008 de onafhankelijkheid uit.

Onder Kosovo-Albanezen leeft het idee van een religieus conflict niet. Het katholicisme is in de hoofdstad in de mode en vrijwel iedereen drinkt alcohol. Lang niet alle islamitische landen erkennen de onafhankelijkheid van de vroegere Servische provincie .

De afscheiding van Kosovo van Servië is dan ook geen religieuze oorlog, maar een complex vraagstuk van zelfbeschikking en onafhankelijkheid. Zoals dat ook in de jaren negentig gold voor de Kroaten en Bosnische moslims die geen deel meer wilden uitmaken van Joegoslavië.

In 1974 werd Kosovo een autonome provincie binnen voormalig Joegoslavië. In de jaren tachtig botste de Albanese meerderheid met het door Serviërs gedomineerde bestuur. President Slobodan Milosevic draaide een groot deel van de autonomie eind jaren tachtig terug.

Terwijl Joegoslavië uiteen viel protesteerden de Kosovo-Albanezen. Ze hoopten dat in de vredesregelingen waarmee in 1995 onder internationale druk een einde kwam aan het geweld in Kroatië en Bosnië ook afspraken zouden komen over Kosovo. Toen dat niet gebeurde, lokten Albanese guerrillastrijders reacties uit van Servische politie en militairen. Toen Serviërs de opstand met geweld onderdrukten, kwam de NAVO in actie en ondersteunde de guerrillastrijd met luchtaanvallen.

Na drie maanden bombarderen trok Milosevic zijn troepen terug en werd Kosovo een protectoraat van de Verenigde Naties. NAVO-troepen moesten de Servische minderheid en kloosters beschermen tegen wraak van de Albanezen. In 2008 riep de Albanese meerderheid de onafhankelijkheid uit. Sindsdien hebben 77 van de 193 VN-lidstaten, waaronder Nederland, die onafhankelijkheid erkend. Servië blijft Kosovo beschouwen als deel van eigen grondgebied.

De laatste jaren heeft de EU veel taken van het VN-bestuur overgenomen. Een ongeveer 1.600 man sterke EU-missie – waaronder 49 Nederlanders – heeft tot taak politie en justitie te helpen bij ordehandhaving en in het vestigen van hun gezag. Omdat de EU verdeeld is over de status van Kosovo (5 van de 27 lidstaten erkennen de onafhankelijkheid niet) moet de EU ‘statusneutraal’ opereren.

Onder druk van de EU, waarvan zowel Kosovo als Servië lid willen worden, onderhandelen de regeringen nu met elkaar, over ‘technische’ onderwerpen zoals kentekenplaten, stroomvoorziening, het erkennen van diploma’s en uitwisseling van gegevens. De status van Kosovo staat officieel niet op de agenda.

Hoewel het accepteren van de onafhankelijkheid van Kosovo formeel geen toetredingseis is, klagen Servische politici dat ze onder druk van de EU staan om hun verzet tegen die onafhankelijkheid te staken. Ze speculeren over een compromis, waarbij het noorden van Kosovo meer autonomie krijgt. De Kosovo-Albanezen noch de internationale gemeenschap voelen echter voor het trekken van nieuwe grenzen.