Rutte en de verwarring over Griekenland

Vanzelfsprekend heeft minister Jan Kees de Jager (Financiën, CDA) in de brief die hij aan de Tweede Kamer heeft gestuurd, niet gerept over de verwarring die zijn premier, VVD’er Mark Rutte, zou hebben gezaaid over de eurotop die aan de steun voor Griekenland was gewijd.

Zou De Jager, die uiteraard namens het kabinet handelt, in zijn brief van maandagavond wél hebben beweerd dat de minister-president er vorige week donderdag in Brussel een potje van had gemaakt, dan was een politieke crisis nabij geweest. De enige keer dat de premier in de brief voorkomt is aan het slot, als De Jager „mede namens de minister-president” de hoop uitspreekt dat de Kamer „zo voldoende is geïnformeerd”.

Rutte zelf doet er het zwijgen toe. Wel heeft hij namens hem de Rijksvoorlichtingsdienst laten beweren dat er geen verschil is tussen de uitleg die de premier donderdagavond gaf aan het akkoord over de steunoperatie voor Griekenland en de brief van de minister van Financiën.

Daar denken in elk geval enkele oppositiepartijen anders over en daar hebben ze ook wel reden voor; De Jagers hoop dat hij de Kamer naar tevredenheid heeft geïnformeerd, is dan ook meteen weerlegd. Het is wellicht wat te gemakkelijk om Ruttes onhandige weergave van de cijfermatige werkelijkheid toe te schrijven aan het gegeven dat hij zijn academische leertijd nu eenmaal niet aan economie, maar acht jaar aan geschiedenis heeft besteed. De premier beschikt, naar mag worden aangenomen, over voldoende deskundige adviseurs.

Toch beklijft de indruk dat Rutte, in zijn gretigheid om de (overigens vrijwillige) bijdrage van banken en andere financiële instellingen aan de steunoperatie te onderstrepen, de mist is ingegaan. Bij alle ingewikkeldheid over het besluit is toch de kern van de verwarring de indruk die Rutte heeft gewekt dat de 109 miljard aan steun inclusief de bijdrage van de particuliere sector zou zijn, terwijl dat niet zo is. Dus neemt de publieke sector (afzonderlijke staten als Nederland, het Europees fonds EFSF en waarschijnlijk het IMF) een groter deel voor zijn rekening. Ook het gedeelte van de financiering dat voor de korte termijn is bedoeld, 88 miljard tot 2014, bestaat louter uit publieke bijdragen, waar De Jager voor de top nog hoopte op een particuliere bijdrage van 20 à 30 procent.

De Europese hulp aan Griekenland, die de afzonderlijke instemming van de eurolanden en hun parlementen vergt, behoort tot de belangrijkste – en omstreden – beslissingen die het kabinet-Rutte in zijn regeerperiode neemt. Dan mag op zijn minst worden verwacht dat de regering de Tweede Kamer eenduidig en helder van informatie voorziet.