Rockster met een knipoog

De Arctic Monkeys zijn volwassen geworden.

En ze hebben een nieuwe richting in hun muziek: majeurakkoorden en een nieuwe manier van zingen.

Wat doet een popster als hij net wakker is? Hij stommelt de tourbus uit en bezoekt de platenzaak aan de overkant. Aldus Alex Turner, zanger van de Britse groep Arctic Monkeys, die deze ochtend wakker werd naast Paradiso, Amsterdam, waar hij vanavond zal optreden. Aan de overkant bevindt zich een van Turners favoriete winkels. Wat hij heeft gekocht? Fully Qualified Survivor (1970) van de Britse folkzanger Michael Chapman en een lp van The Byrds. Michael Chapman kent hij niet, maar die was hem aangeraden. Dus het is de moeite waard om uit te proberen. „Zoals iedereen doet”, zegt hij schouderophalend. Wat doet iedereen? „We zijn allemaal op zoek naar inspiratie buiten de gebaande paden, in de hoop dat we een sleutel vinden. Iets wat ons een nieuwe richting wijst.”

Turner draagt een leren jack, zwarte kleren en een übercoole zonnebril met uitsparingen aan de zijkant. Naast hem zit drummer Matt Helder, samen roken ze sigaretten, en lachen ze om inside grapjes. Na een tijdje zet Turner zijn bril af en blijkt zijn grootogige puppycharme na vijf jaar op de muzikanten-Olympus nog onveranderd.

Wie hem de sleutel ook heeft gegeven, Arctic Monkeys hebben hun nieuwe richting gevonden. Op de pas verschenen, vierde cd Suck It And See (in Amerika uit grote winkelketens gebannen wegens de titel) spelen ze een verheugende mix van vertrouwde Arctic Monkeys-bravoure, met joyeuse stijlmiddelen uit de jaren zestig. Het zorgde voor hernieuwd enthousiasme aan het thuisfront, dat met de vorige, derde cd enigszins van de helden uit Sheffield vervreemd was geraakt – door de voor Britse oren te Amerikaans georiënteerde rocksound van Humbug (2009), dat werd geproduceerd door woestijnrockgrootheid Josh Homme (Queens Of The Stone Age).

Nee, dan Suck It And See, met zijn meeslepende doolhoven als ‘Reckless Serenade’ en ‘She’s Thunderstorms’. En God weet dat een vierde cd niet makkelijk is. Zo presenteerden generatiegenoten Kaiser Chiefs onlangs het wisselvallige Who-experiment The Future Is Medieval, en kondigde het al enige jaren in barensnood verkerende Coldplay zijn nieuwe vierde cd aan met de single ‘Every Teardrop Is A Waterfall’, een hemelbestormend nummer waarbij de muzikanten zoveel aandacht besteedden aan de productie dat een refrein over het hoofd werd gezien.

Van Arctic Monkeys kun je veilig zeggen dat ze volwassen zijn geworden. Verdwenen is de jeugdige haast waarmee Turner ten tijde van debuut-cd Whatever People Say I Am, That’s What I Am Not (2006) de woorden uit zijn mond liet bruisen. De nieuwe liedjes zijn rustiger, en Turner zingt met het timbre van een crooner – een zangstijl die hij ook al liet horen bij zijn hobbyproject The Last Shadow Puppets.

„Bij Humbug hadden we nummers in de studio laten ontstaan”, zegt hij. „We wilden producer Josh Homme de vrije teugel geven, en experimenteerden met orgels en keyboards. Nu hebben we gewerkt zoals bij ons debuut: voordat we de studio in gingen was alles precies uitgedokterd. Ik had de nummers thuis geschreven, en in de oefenruimte kwam producer Jamie Ford langs om te horen welke kant het op ging. Er was een plan.”

Alex Turner praat nogal lijzig, waardoor elk woord een onbedoeld komische lading krijgt. Hij beaamt het idee van ‘volwassenheid’. „Bij onze eerste cd kon ik niet zingen”, zegt Turner, nu 25. „Daarom zing-praatte ik zo snel mogelijk, dan viel het minder op. Langzaam is dat veranderd. Bij elke cd probeer ik iets anders uit. Op de nieuwe cd was dat: het werken met majeurakkoorden. Dat leidt ook tot een andere manier van zingen. Ik was altijd bang voor majeurakkoorden, ik associeer ze met platvloerse popliedjes. Maar toen dacht ik aan nummers van The Velvet Underground. Hun ‘Rock & Roll’, en ‘Who Loves The Sun’ zijn getoonzet in majeur, en toch niet plat.”

Turner trekt zijn jack uit. Degene die hem de sleutel gaf, prijkt op zijn borst: op zijn T-shirt staat de beeltenis van Leonard Cohens Songs of Love and Hate, uit 1971. „Vroeger bedachten we de nummers met zijn allen”, zegt Turner. „Maar de nieuwe nummers schreef ik alleen, met een akoestische gitaar. Het was de ‘klassieke’ aanpak, waarbij het liedje de basis is en de instrumentatie later wordt bedacht. Ik omringde me al die tijd met de muziek van Cohen en Lou Reed, in de hoop dat hun kwaliteit op me af zou geven.”

De ondertoon van zijn stem en teksten is op de nieuwe cd nog altijd ironisch, maar Turner klinkt lustiger dan tevoren. ‘Black motorboots’ geven hem een ‘kick’; hij bewondert haar ‘steady hands’ die ‘may well have done the devil’s pedicure’ (in ‘The Hellcat Spangled Shalalala’). In het titelnummer beschrijft hij een meisje als het naar bloemen vernoemde drankje ‘Dandelion and Burdock’ (‘You’re rarer than a can of dandelion and burdock/ and those other girls are just postmix lemonade’).

Schrijft Turner zijn teksten zoals hij praat? „Onder elkaar praten wij in Yorkshire-accent. Als ik zo zou zingen, zou niemand me verstaan. Maar in aangepaste vorm is het dialect uit onze streek altijd een onderdeel van onze muziek geweest. Mensen in Sheffield praten bloemrijk. Ik vind het aantrekkelijk om die taal te combineren met een ‘plat’ accent. Dat geeft een stekelige tegenstelling. ”

En tegenstellingen zijn de kern van hun charme. Die tussen verfijnde woordkeus en lompe riffs, tussen bescheidenheid en bravoure. Turner mag zich bij het concert die avond in Paradiso dan op z’n knieën laten vallen voor een solo en na afloop het plectrum het publiek inschieten, zijn rockstergedrag houdt altijd een knipoog.

Toch?

Het antwoord komt van hemzelf – in ‘Piledriver Waltz’: ‘If you’re gonna try and walk on water/ make sure you wear your comfortable shoes’.