Ook deze rechter laat zich niet muilkorven

Raadsheer Peter Kop mag niet beginnen aan een nieuwe functie bij het Amsterdamse hof. Reden: de wijze waarop hij het opneemt voor collega Tom Schalken.

Vijf weken geleden spraken Amsterdamse rechters het Tweede Kamerlid Geert Wilders vrij van discriminatie en het aanzetten tot haat. Daarmee is de strafzaak definitief voorbij. Althans, voor de verdachte. Niet voor de magistraten in Amsterdam.

Na Tom Schalken, de raadsheer-plaatsvervanger die eerder deze maand in een interview met deze krant luidruchtig zijn ontslag aankondigde omdat hij de handen vrij wilde hebben voor kritiek op de Amsterdamse rechtbank, is er nu een andere vooraanstaande jurist die in de nasleep van het proces tegen Wilders in opspraak raakt. Kern van het geschil is in hoeverre rechters recht hebben op vrijheid van meningsuiting.

De rechtshistoricus Peter Kop zou een dezer dagen de schriftelijke bevestiging ontvangen van zijn benoeming tot raadsheer-plaatsvervanger bij het Amsterdamse hof. Eerder was Kop raadsheer bij de Hoge Raad en vicevoorzitter van het Amsterdamse hof. Na een sollicitatiegesprek met de voorzitter van de sector handelsrecht van het hof, Wouter Los, had Kop naar eigen zeggen te horen gekregen dat hij meer dan welkom was.

Tot afgelopen dinsdag. Toen werd Kop ontboden bij hofpresident Leendert Verheij in Amsterdam.

Kop moest opheldering verschaffen over een artikel dat hij op 16 juli schreef voor het weblog van boekhandel Athenaeum. In het artikel neemt Kop het op voor Tom Schalken. „Schalken voelt zich snoeihard aangepakt door een aantal collega’s en de pers. Daartegen mag een mens, en ook een rechter, zich verweren”, volgens Kop. Hij is het dan ook niet eens met de opvatting van Verheij. De hofpresident liet begin deze maand als reactie op het interview weten dat het „helemaal onaanvaardbaar” en niet professioneel is dat Schalken via de krant publiekelijk kritiek uit op het optreden van de Amsterdamse rechtbank in de strafzaak tegen Wilders.

„Het aanzien van de rechtspraak is hier in het geding en daarvoor is elke individuele rechter/raadsheer mede- verantwoordelijk. Dat heeft niets te maken met een ontoelaatbare inperking van de vrijheid van meningsuiting. In tal van functies geldt dat de aard daarvan beperkingen oplegt aan wat men kan zeggen. Dat is niet alleen in overheidsambten het geval, maar in het bedrijfsleven net zo goed”, aldus Verheij.

Peter Kop bestrijdt die opvatting in zijn artikel op het Athenaeumblog. „Schalken laat zich gelukkig niet inperken”, aldus Kop. „Schalken is met recht bitter en zegt – niet ongeestig en terecht – dat hij wil eten waar en met wie hij wil en wil publiceren waar en over wat hij wil.”

Op zijn werkkamer spraken Verheij en Kop eergisteren over het artikel. „Hij liet me weten dat hij zeer ongelukkig was met mijn bijdrage. Met name de zin ‘gelukkig liet Schalken zich niet inperken’, ziet Verheij als onaanvaardbare kritiek op hem als functionaris”, zegt Kop. „Hij wil dat ik een schriftelijke verklaring onderteken waarin ik beloof dit soort dingen niet meer te schrijven.” Maar Kop weigert. Hij kreeg daarop te horen dat hij niet zal worden geïnstalleerd en niet zal worden opgeroepen zittingen te draaien.

„Ik laat me op mijn 64ste niet muilkorven. Ik ben een beschaafd mens. Ik heb me als rechter altijd keurig gedragen. Verheij is heel touchy. De gelederen van de rechterlijke macht moeten volgens hem altijd gesloten blijven.”

Senior raadsheer van het Amsterdamse hof Reiner de Winter is net als Kop van mening dat het rechters vrij staat zich in het publieke debat te mengen. Omdat hij zich ergerde aan de „stemmingmakerij en diskwalificaties” in een vernietigende recensie die een redacteur van de Volkskrant wijdde aan het boek van Schalken, Het eetcomplot, schreef hij een artikel voor het ochtendblad. De Volkskrant weigerde zijn kritische bijdrage en daarom plaatste De Winter deze week zijn stuk op de website NJBlog.nl.

In het artikel pleit de raadsheer voor „serieuze aandacht” voor Schalkens betoog over „de moeizame verhouding tussen de verbale wereld van het strafrecht” en de „beeldvorming via de media”. Desgevraagd zegt De Winter zijn president geen toestemming te hebben gevraagd voor publicatie van zijn stuk.

Dat zijn collega Peter Kop door Verheij de deur is gewezen vanwege diens artikel, is hem niet bekend. „Als het klopt lijkt mij dat nogal bijzonder”, zegt De Winter. „Maar ik spreek hier vrijwel nooit iemand, alleen de collega’s met wie je zitting hebt. Wij zijn, zoals dat geloof ik heet, onafhankelijk.”

Verder wil raadsheer De Winter zich niet uitlaten over deze kwestie. Hij wijst wel nog op een eerder artikel dat hij in 2009 publiceerde met de titel: „Ook rechters hebben opvattingen, so what?”