'God' is lastig: vanwege de 'd' op het einde die klinkt als een 't'

De leesplankjes en de normaalwoordenmethode waarmee talrijke Nederlanders hebben leren lezen, waren doordrongen van de verzuiling.

Nederland, Harkema FR) , 6 juli-2004 PC Basisschool de Wynroas. Oud lesmateriaal als decoratie in de gang. Foto: Sake Elzinga

Op deze plaats schreef Lex Veldhoen over in India gebruikte schoolplaten die hem aan vroeger deden denken. De knullig getekende platen haalden de herinnering aan Aap – Noot – Mies boven. Anderen herinneren zich echter de trits Aap – Roos – Zeef. Het leesplankje ontwikkelde zich – letterlijk – tot een van de uithangborden van de verzuiling in Nederland: de leesplank die begint met Aap – Roos – Zeef is de katholieke variant. Dat is een van de saillante details in de onlangs verschenen handelseditie van het proefschrift van Karen Ghonem-Woets uit 2005.

Ook een eeuw geleden al werd de bedenker van de leesplank, de uit Stiens afkomstige onderwijzer Hoogeveen, met lof overladen. ‘O, dat leesplankje! Hoe heeft de uitvinder, de heer M.B. Hoogeveen, daarmee en onderwijzers en leerlingen aan zich verplicht! De kinderen nemen nu allen deel aan het onderwijs en ieder heeft wat te doen; ze hoeven niet meer hun beurt af te wachten. ’t Prikkelt den leerlust, ’t bevordert de zelfwerkzaamheid, ’t kweekt attentie, tucht en zorgzaamheid, wat wil je meer?’ En zo voegden de fraters Jozef Reynders en Nicetas Doumen, auteurs van de methode Ik lees al, er aan toe dat met de letterkaartjes een ‘ellendig geknoei bij ’t namaken der letters op lei of papier’ voorkomen kon worden.

Alle woorden van het leesplankje van Hoogeveen waren door Cornelis Jetses op een grote vertelplaat getekend. Op deze plaat was Teun – de man met een aapje aan een touwtje – de centrale figuur. De onderwijzer vertelde verhaaltjes waarin de woorden van de leesplank voorkwamen. Aan de hand van deze woorden, die zo gekozen waren dat de letterklanken er in hun zuiverste vorm in te beluisteren waren, werd de leerlingen geleerd om de schriftcode te kraken door woorden in letters en in klanken te ontleden. Deze aanpak – de normaalwoordenmethode – bleef tot in de jaren zestig in zwang.

Deze methode was zo populair omdat de onderwijzer een uitgelezen kans kreeg om ook met behulp van vertellingen de eerste normaalwoorden te introduceren. Juist op dit punt wrong voor katholieke pedagogen en schoolboekenschrijvers de schoen. ‘Doch, wij katholieken vergenoegen ons niet met al die neutralen kost. ’t Moge waar zijn, dat eenige van die sprookjes en verhaaltjes een of andere zedelijke strekking hebben, dat is voor ons niet voldoende. Wij moeten ook bepaald godsdienstige vertellingen geven.’

Het was voor Reynders en Doumen lastig dat er nauwelijks normaalwoorden te bedenken waren met die godsdienstige strekking. ‘God’, om een voorbeeld te noemen, was lastig vanwege de ‘d’ op het einde die dezelfde klank heeft als een ‘t’. Vandaar dat in hun selectie zes woorden (van de achttien) dezelfde zijn als die Hoogeveen voor zijn leesplankje had uitgekozen.

Opvallend is wel dat in alle methodes voor het aanvankelijk lezen de kinderen op straat een man tegenkomen met een aap die kunstjes doet. De verklaring voor dit schaamteloze plagiaat zoekt Karen Ghonem- Woets bij het klassieke jeugdboek van Hector Malot. In Alleen op de wereld waren Vitalis en zijn aapje onafscheidelijk. Deze strenge, maar vriendelijke en eerlijke straatmuzikant was een eeuw geleden blijkbaar het ideale rolmodel, ongeacht of de leerling van liberale, protestants-christelijke of katholieke huize was.

K. Ghonem-Woets: Boeken voor de katholieke jeugd. Verzuiling en ontzuiling in de geschiedenis van Zwijsen en Malmberg . Walburg Pers, € 39,50