Gentest op komst die roker vertelt hoe hij moet stoppen

Rokers die willen stoppen, met behulp van medicijnen, kunnen over een paar jaar waarschijnlijk eerst een genetische test doen die aangeeft welk middel de meeste kans op succes geeft.

„Van ons hoeft dat geen tien jaar meer te duren,” zegt Onno van Schayck, hoogleraar preventieve geneeskunde aan de Universiteit Maastricht. Zijn promovendus Marieke Quaak vond samen met collega’s uit Maastricht en Groningen een combinatie van drie genvarianten die de gelukkige dragers een kans van 60 procent geeft dat hun stoppoging slaagt als ze het antidepressiemedicijn bupropion als hulpmiddel gebruiken. Dat is driemaal beter dan het gemiddelde succes van een stoppoging met bupropion. Hun publicatie verschijnt binnenkort in het wetenschappelijke tijdschrift Addiction en staat nu op de website van het tijdschrift.

Van de vier miljoen rokers in Nederland doen er jaarlijks ongeveer 1,5 miljoen een stoppoging. Van de stoppers slaagt 5 tot 20 procent erin om minstens een jaar niet te roken. Dat percentage stijgt als de stopper wordt begeleid en medicijnen gebruikt.

Er zijn drie soorten medicijnen: nicotine (pleisters of kauwgom), antidepressiva (bupropion of nortriptyline) en varenicline, dat voorkomt dat de hersenen nicotine als een ‘beloning’ beschouwen.

De drie genvarianten waarvan de Nederlandse onderzoekers de effecten bestudeerden liggen in één gen. Dat gen (SLC6A4) codeert voor een eiwit waar het antidepressivum op inwerkt en dat het effect van nicotine beïnvloedt. Iedere variant in het gen heeft een vorm met hoge activiteit en een vorm met lage activiteit. Aangezien iedereen twee kopieën van een gen heeft, zijn er mensen met vier of meer genvarianten met ‘hoge activiteit’. Die vormen 15 procent van de bevolking. Zij hebben het geluk dat de bupropiontherapie bij hen een slagingskans van 60 procent geeft, en nortriptyline een slagingskans van ruim 50 procent.

Van Schayck: „Mensen met hoogstens één zo’n hoge-activiteitvariant moet je op grond van ons onderzoek eigenlijk afraden om aan de bupropion te beginnen. Zij ondervinden nauwelijks positieve effecten en kunnen last van de bijwerkingen krijgen.”

Andere onderzoekers hebben genvarianten gevonden die de succeskans van nicotinepleisters of -kauwgum verhogen of verlagen. Voor het veel minder gebruikte varenicline is zo’n genetische invloed nog niet gevonden. Van Schayck: „Wij moeten onze vondst zo snel mogelijk in een groter onderzoek zien te bevestigen. En dan moet alle kennis worden samengevoegd in een snelle en eenvoudige gentest.”