Galerij van Wiek Röling

In het najaar van 1960 stonden Wiek Röling en ik op de hoek van de Weteringschans en het Frederiksplein te kijken naar de sloop van de Galerij, het deel van het Paleis voor Volksvlijt dat in 1929 van de grote brand gered was. Hij was een jaar of 25. Ik herinner me zijn diepe verontwaardiging, zijn woede bij de aanblik van dat verschrikkelijke schouwspel. Alsof het gisteren was gebeurd. Op 14 juli is hij gestorven. Ter ere van hem schrijf ik dit stukje.

Als architect heeft hij zich voortdurend verzet tegen de ‘schrijftafelslopers’ die hij verantwoordelijk achtte voor de barbaarse afbraak van zoveel oude gebouwen en de verminking van stedelijke gebieden die de eeuwen hadden doorstaan. Het is waar, de Galerij was in verval maar lang niet in een reddeloze toestand. Bovendien was er nog het grote, nog altijd onbeschadigde overblijfsel van het Paleis voor Volksvlijt. Ik had er wat voor gegeven, dat in zijn glorie te zien. Om de verwante werkelijkheid te zien moet je naar Spa in België of Karlsbad en Mariënbad in Tsjechië.

Door een geweldige vergissing van een vorige generatie staat nu op het Frederiksplein het gebouw van De Nederlandsche Bank. Toen dat werd besloten was cityvorming nog steeds de leidende boodschap van de stadsplanners. Door het groeiend autoverkeer verloor het centrum snel zijn bereikbaarheid, we hadden het plan van politiecommissaris Kaasjager om de grachten te dempen achter de rug. Maar de nationale bank zou en moest op het Frederiksplein komen. Dus werd de Galerij tegen de vlakte geslagen. Rudy Kousbroek heeft geschreven dat het een daad Ceausescu waardig was. De Roemeense dictator heeft zich onvergetelijk gemaakt door een hele volkswijk, Urbanus, te slopen omdat er ruimte moest worden gemaakt voor het Paleis van het Volk.

Stel je voor dat De Nederlandsche Bank nu ergens aan de Zuidas had gestaan, goed bereikbaar door de lucht, met het openbaar vervoer en de auto.

En dan het vervolg op deze droom: dat de Galerij door de nieuwe economie van de mode en het entertainment opnieuw was ontdekt. Had dit niet de hele allure van dit stadsdeel revolutionair veranderd? Nu staat daar onze nationale bank, een paar wezenloze torens, afgesloten met traliehekken, in een licht verpieterde omgeving. Het stukje Sarphatistraat tussen het plein en de Amstel is wel mooi, maar deelt niet in het stadsleven. Dan aan de overkant het Amstel Hotel en verderop de Weesperzijde die ook niet voor verwoestingen gespaard is gebleven.

In 2002 had Wim T. Schippers een goed idee. Dat overkomt hem meer. We moeten het Paleis voor Volksvlijt herbouwen, dacht hij deze keer. Dus niet alleen de Galerij. Om dit te bevorderen werd er een stichting opgericht. Ik ben er ook lid van geworden. Later, op een nieuwjaarsreceptie kwam ik de president van de Bank, toen Nout Wellink, tegen. Hij had van de Stichting tot sloop en herbouw gehoord. Wat dacht hij ervan? Ik heb er niets tegen, zei hij. Als ze de kelders maar ongemoeid laten. Daarin wordt ons goud bewaard.

Er is dus nog een sprankje hoop. Kom ik met lijn 10 langs de bank, dan knijp ik soms mijn ogen bijna dicht. Die torens verdwijnen en daar verschijnt de prachtige ingang van de Galerij. Op de halte Oosteinde stap ik uit, loop terug, ga naar binnen. Het is er een centrum van bruisend leven. De voorhoede van de Nederlandse creativiteit heeft zich hier gevestigd. Zo had Wiek Röling het gewild.