Een goede Lucian Freud is een slechte foto

‘Mensen kennen hun eigen gezichten niet. Zodra ze een paar ogen en een neus zien, denken ze dat die van hen zijn.” Aan het woord is een Engelse fotograaf uit de negentiende eeuw. Hij had een winkel in Londen waar hij voor een shilling portretten maakte. Soms verkocht hij iemand het portret van een ander als het zijne. Veel kopers trapten daar in volgens de fotograaf, die spreekt in London Labour and the London Poor (1851) van de Britse journalist Henry Mayhew. Ze hadden misschien een paar keer in hun leven in de spiegel gekeken.

Deze passage wordt geciteerd in Man with a Blue Scarf, het boek dat kunstcriticus Martin Gayford schreef over het portret dat Lucian Freud van hem maakte. Anderhalve eeuw later is het onmogelijk om in de truc van de fotograaf te trappen. Overal zijn spiegels, overal zijn foto’s; het is onmogelijk geworden een ander voor je zelf te houden.

Gayford gebruikt in zijn vorig jaar uitgekomen boek de fotografie wel vaker om uit te vogelen wat het precies is dat Lucian Freud, die vorige week overleed, met de geportretteerde doet. Je zou een goed schilderij van Freud ook kunnen vergelijken met een slechte of mislukte foto, zo’n foto waarvan de geportretteerde meent dat dat geen gelijkenis is, wegens de gekke bek of de half dichte ogen. Zo ziet hij er in de spiegel niet uit. Maar zoals in de spiegel zie je er waarschijnlijk alleen uit voor de spiegel; iedereen heeft een spiegelkop. Wie is nooit van zichzelf geschrokken in een winkelruit? Met die spiegelkop is het alsof iedereen een soort platoonse versie van zichzelf in zijn hoofd heeft, en die platoonse versie lijkt het liefst op de platoonse versies van anderen. Zo min mogelijk afwijkingen van de ideale mens.

Gayford doet veel interessante observaties in Man with a Blue Scarf. Daar had hij ook de tijd voor – hij zat in 2004 elke week een lange avond in het atelier van Freud, die vaak jaren over een portret deed. Op de flap wordt het boek aangeprezen als een unicum. Die claim klopt niet; de Amerikaanse schrijver James Lord publiceerde in 1965 bijvoorbeeld A Giacometti Portrait, waarin hij beschrijft hoe hij poseerde voor een tekening van Alberto Giacometti. Maar het blijft een vruchtbare methode; zo’n kijkje in de keuken van een groot kunstenaar. Ook in fictie: het meisje van Vermeer beschreef ook al haar ervaringen.

Gayford noemt Freud een schilder met een on-platoonse sensibiliteit. Hij idealiseert niet, hij generaliseert niet. Zelfs als hij eieren schildert, schildert hij portretten. Het realisme van Freud wordt als je het zo bekijkt een gevaarlijke onderneming. Wie door hem geschilderd wordt, herkent misschien even zijn eigen gezicht niet.