Democratie als gevaar

Als minister-presidenten niet precies weten wat ze, na urenlang onderhandelen, eigenlijk ondertekend hebben, dan mag het een eenvoudige columnist misschien vergeven worden wanneer hij de betekenis van het akkoord dat de regeringsleiders van de eurozone vorige week in Brussel hebben bereikt, niet in alle opzichten doorgrondt. Is Griekenland nu ‘gered’? Ja, is de eurozone gered? Is het gevaar van besmetting verdwenen? Of staat ons volgend jaar een nieuwe reddingsoperatie – en niet alleen voor Griekenland – te wachten?

Het is zelfs denkbaar dat het akkoord van Brussel aan Ierland en Portugal de prikkel heeft ontnomen de harde beperkingen die zij aan hun bevolkingen opleggen, voort te zetten. Europa helpt immers wel? Volgens Nouriel Roubini, de man die de crash van 2008 heeft voorspeld, hebben beide landen volgend jaar eenzelfde schuldenverlichting als Griekenland nodig. Als Spanje en Italië daar nog bij komen, spreken we over een andere orde van grootte.

Maar misschien is dit wel de manier waarop Europa ten slotte één wordt: strompelend van crisis naar crisis. Bij de ‘oplossing’ van elke crisis raken de deelnemende landen telkens iets van hun onafhankelijkheid kwijt. Incrementalisme heet dat, geloof ik, in de politieke wetenschap. Als we de Frankfurter Allgemeine mogen geloven, is de eurozone na de top van vorige week een complete Haftungsraum geworden, een zone waarin de sterke landen borg staan voor de zwakke.

Deze onderlinge borgtocht wordt als ’t ware geïnstitutionaliseerd in het Europese crisisfonds EFSF in Luxemburg, dat aanzienlijk grotere bevoegdheden heeft gekregen en nu zelfs kredieten kan verlenen ter voorkoming van insolventie. Prachtig, maar de operaties van dit fonds, dat onder leiding van de Duitser Klaus Regling staat, onttrekken zich grotendeels aan democratische controle. Of kan Europa alleen tot stand komen met voorbijgaan van de kiezer?

De kiezer als storend element: zo ziet Philippe Riès dat in een provocerend boekje – meer een pamflet eigenlijk dat in 2008 verscheen: L’Europe malade de la démocratie (uitg. Grasset). ‘Het Europese project is een slachtoffer van een overdosis aan democratie’, aldus de rode draad in zijn betoog, waarin hij zich onbeschroomd voorstander betoont van Europa als „elitistisch project”, dat gelukkig bekomen is van de gril beslissingen per referendum, „ een bonapartistisch instrument”, direct aan de bevolking voor te leggen.

Iemand wiens Europese én democratische geloofsbrieven boven elke verdenking staan, maar die toch min of meer tot soortgelijke conclusie komt, is de vroegere Belgische premier Leo Tindemans. In een vraaggesprek met het Vlaamse dagblad De Standaard (16/17 juli) zegt hij dat het kortetermijndenken, dat inherent is aan de democratie (elke paar jaar verkiezingen), „gevaarlijk is voor de euro. De democratie kan een gevaar voor de toekomst worden.”

Tindemans is kennelijk niet onder de indruk gekomen van de rede die Geert Mak in mei voor het Vlaamse parlement heeft gehouden (en die ook in De Standaard is gepubliceerd). Mak wijt daarin het wankelen van het Europese project aan het „Europese democratische tekort”. In tegenstelling tot Mak heeft Tindemans echter met het politieke bijltje gehakt, zowel nationaal als Europees (hij was in 1975 auteur van het rapport-Tindemans over de toekomst van Europa).

Kortom, terwijl technocraten ‘Brussel zomer 2011’ toejuichen als „een grote stap op weg naar een Europees monetair fonds” (zoals Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz), zo niet een begrotingsunie, ja een Europese economische regering, zijn er anderen die zich afvragen: hoe verkopen we dat aan ons electoraat, dat steeds minder Europees gezind aan het worden is, zonder daardoor noodzakelijkerwijs minder democratisch gezind te zijn?

Tony Barber vat dit dilemma in de Financial Times van 23 juli als volgt samen: „De schuldencrisis drijft de leiders van Europa in de richting van een steeds nauwere integratie, terwijl zij tegelijkertijd het geloof van het publiek in hetzelfde doel ondermijnt.” Deze crisis is dus meer dan een financiële crisis, zij is een crisis van de democratie.

In dit licht bezien mag het eigenlijk een wonder genoemd worden dat de Europese leiders vorige week tot dit resultaat zijn gekomen. Dit geldt vooral voor bondskanselier Angela Merkel. Zij heeft niet alleen te maken met een steeds eurosceptischere openbare mening, maar ook nog met het Constitutionele Hof in Karlsruhe, dat, als de behoeder van de grondwet, in 2009 waarschuwde dat iedere verdere uitbereiding van de bevoegdheden van de EU uitdrukkelijke toestemming van het parlement nodig heeft – een waarschuwing waarin Nederlandse hoogleraren Europees recht, die blijkbaar meer hechten aan Europa dan aan het recht, een uiting van herlevend nationalisme zagen.

Zo ontmoet een steeds verdere Europese integratie, behalve de democratie, ook het recht op haar weg. Moeten die wijken voor de onbetwistbare noodzaak van een Europese eenheid? Dát is het dilemma waarvoor wij staan.