'Als hij raak schoot, kleurde het water rood'

Adrian Pracon wil ooit terugkeren naar het eiland Utøya, volgens hem een van de mooiste plekken ter wereld. Nu vertelt hij in een Noors ziekenhuis hoe Anders Breivik daar optrad. ‘Waarom miste die kogel mijn hoofd?’

FILE - In a July 25, 2011 file photo, police officers search Utoya island for evidence after far-right extremist Anders Behring Breivik opened fire on the island on July 22. For almost an hour and a half, as Behring Breivik stalked the island, mortally wounding at least 68 people, Marianne Bremnes in Harstad, Norway, 800 miles away, exchanged news, words of comfort and potentially lifesaving information every five minutes by SMS text with her 16-year-old daughter Julie, who was attending a youth camp on the island for members of the Labour Party. Julie was unharmed but lost five friends in the shooting. (AP Photo/Matt Dunham, File)

„Ik ben bang om alleen te zijn. Ik ben bang voor de stilte. Fijn dat je er bent.” Het zijn de eerste woorden van Adrian Pracon bij ontvangst in zijn kleine, warme kamer in het ziekenhuis van Skien, een stadje op 130 kilometer ten zuiden van Oslo.

Hij heeft voortdurend bezoek van mensen die allemaal willen weten hoe het was op dat verdoemde eiland Utøya, en die allemaal min of meer dezelfde vragen stellen. Maar het maakt hem niet uit. Het geeft hem afleiding. „Ik voel me beter als ik erover praat. Als ik het wegstop, komt de pijn later. Ik wil ook praten voor degenen die dat niet meer kunnen.”

Als hij die afleiding niet heeft, komen de vragen. De onontkoombare, knagende vragen. „Waarom ik wel en mijn vrienden niet? Waarom miste zijn kogel mijn hoofd? Waarom was hij zo zwak dat hij niet op een andere manier zijn ongenoegen kon uiten?”

Adrian was op 22 juli op Utøya, samen met zo’n zeshonderd anderen, van wie Anders Behring Breivik er 68 doodde. Maar Adrian overleefde. Tijdens het bloedbad twitterde hij drie inmiddels in Noorwegen beroemde berichten. Het eerste: ‘Schietpartij op Utøya. Ik hou van jullie’. Het tweede: ‘Ik ben geraakt’. Het derde was een foto van zijn reddingsteam.

Adrian is 21 jaar. Een intelligente, begeesterde jongen en een veelbelovend lid van het jongerenkader van de sociaal-democratische Arbeiderspartij. Hij is uitgegroeid tot het gezicht van het drama van Noorwegen.

Hij vertelt zijn verhaal vanaf zijn bed, zijn benen over de rand. Een magere maar gespierde jongen, in een blauw ziekenhuishemd met sneakers eronder.

„Rond half vier kregen we berichten dat er een bom was ontploft in Oslo. We besloten om een bijeenkomst te houden om de mensen op de de hoogte te brengen. Ik liep naar de kiosk op de heuvel om wat snacks en chocola te kopen voor tijdens de bijeenkomst. Toen hoorde ik ineens harde knallen. Ik dacht dat er ballonnen knapten.”

Vanaf de heuvel zag Adrian hoe een man in politie-uniform jongeren in een kring om zich heen verzamelde. „Hij zei dat ze veilig waren en dat hij hen kwam informeren over de aanslag. Toen trok hij een pistool en begon te schieten. Ik zag vrienden van me achterovervallen. Dood.”

Adrian kon niet bevatten wat er gebeurde. „Ik zat te wachten tot iemand op een fluitje blies, om aan te geven dat de show voorbij was. Maar het fluitje kwam niet. Ik zit er nog steeds op te wachten.”

Andere jongeren zetten het op een rennen, vertelt Adrian. „Maar hij schoot ze al rennend neer. Mensen smeekten om te mogen blijven leven. Maar hij schoot ze gewoon dood. „Ik zag hem langs de tenten lopen, de ritsen opentrekkend en schietend op de mensen die zich erin hadden verstopt. Ze konden geen kant op.”

Vervolgens richtte Breivik zijn geweer op de heuvel waar hij stond. Hij hoorde de kogels inslaan in de bomen. Toen pas realiseerde hij zich dat het allemaal echt was. „Tot die tijd dacht ik ergens nog steeds dat het wel rubberkogels moesten zijn, of zo iets.”

Adrian vertelt dat hij met twee vrienden naar het water vluchtte. Beide vrienden werden in de rug geschoten. Hij zag ze neervallen maar moest doorrennen. Hij arriveerde alleen, als een van de eersten.

„Ik wist dat hij dichtbij was, ik had geen tijd om mijn kleren en mijn schoenen uit te trekken. Dus sprong ik met alles nog aan in het water. Dat was een grote fout. Na honderd meter zaten mijn kleren vol water. Het was veel te zwaar, ik verdronk bijna. Daarom ben ik teruggezwommen.”

Terug op de oever zag hij Breivik, vlakbij. „Hij stond vanaf een klif op mensen te schieten die via het water probeerden te ontsnappen. Je zag wanneer hij miste, dan spatte er wit water omhoog. Als hij raak schoot, werd het water rood.”

„Toen zag hij mij. Hij richtte en ik smeekte hem om mij niet te doden. Ik zag hem overwegen. Het leek wel twintig minuten te duren. Waarschijnlijk was het maar vijf seconden. Hij schoot uiteindelijk niet.”

Adrian vertelt zijn verhaal op een bedeesde toon. Onwerkelijk kalm haast. Hij pakt een krant met een luchtfoto van het eilandje om te laten zien waar hij lag op de oever en waar Breivik toen stond. „Het vreselijke gebeurde. Hij kwam terug.”

Adrian zag hoe Breivik naging wie nog leefde. „Hij deed dat door hen door het hoofd te schieten. Ik had mijn hoofd weggestopt achter mijn armen en deed of ik dood was. Hij richtte ook op mijn hoofd. Zijn kogel ging achter mijn nek langs, door mijn schouder. Ik kon niet schreeuwen, me niet bewegen. Doodstil lag ik daar. Al had ik het ijskoud. Dat heeft me waarschijnlijk gered. Ik kon zijn adem horen, de warmte van de loop van zijn geweer voelen.”

Vlak daarna kwam de redding. Drie agenten verschenen op de oever en riepen wie ze konden helpen. „Maar niemand vertrouwde het. We dachten dat ze bij de terroristen hoorden. Er werden dingen naar ze gegooid. We waren doodsbang.”

Na zijn redding werd Adrian overgebracht naar de trauma-afdeling van het nabijgelegen ziekenhuis, twee dagen later mocht hij naar Skien. Hij vertelt hoeveel hij heeft gehad aan alle steun die hij en de andere overlevenden de afgelopen dagen hebben gekregen. Die steun kwam vanuit de hele de bevolking en uit alle uithoeken van de wereld. Ook de kroonprins kwam bij hem op bezoek. „Ik dacht altijd dat wij Noren koud en cynisch waren, dat we alleen maar aan onszelf denken. Maar dat is niet zo. Wij Noren zijn warm. Medelevend. We steunen elkaar, wat er ook gebeurt.”

„Er is zoveel goeds in Noorwegen. Daar wil ik naar kijken. Niet naar het slechte. Een meisje zei tegen mij: als er zo veel haat in een persoon kan zitten, bedenk dan hoeveel liefde er in al die andere mensen bij elkaar zit.”

Of Adrian ooit weer tegen de stilte kan, weet hij niet. Maar hij is vastberaden om de draad weer op te pakken. „Ik kijk er naar uit om weer te werken voor de partij. Mijn functie als districtsecretaris. Ik heb een tweede kans gekregen om te leven en ik wil laten zien dat ik die waard ben. In zekere zin ben ik herboren. Elke dag als ik opsta, kijk ik er naar uit om de zon te zien, om de lucht in te ademen. Kleine dingen hebben ineens veel meer betekenis gekregen.”

Hij heeft nog twee operaties te gaan voor hij het ziekenhuis mag verlaten. Bij het afscheid laat hij een potje zien met een paar minuscule stukjes metaal. „Hij gebruikte speciale kogels, om een zo dodelijk mogelijk effect te creëren. Mijn schouder zit er nog vol mee.” Het zijn de restanten van de dumdum-kogels, die in het lichaam exploderen.

Dan doet hij nog een belofte. „Ik ga mijn best doen om weer naar het eiland te gaan. Ik wil zien waar ik heb gelegen, waar mijn vrienden zijn gestorven. Voor mij was Utøya de mooiste plek op aarde. Ik wil dat ik het zo opnieuw kan zien, maar dan zonder de moordenaar.”