Terug in Marokko

Otto Holzhaus en zijn echtgenote Gerarda storten zich met grenzeloze nieuwsgierigheid in ongewisse reisavonturen. Vandaag: joden in Marokko.

Volgens recente schattingen telt Marokko drieduizend joden: niet meer dan 1 procent van de driehonderdduizend die hier ooit woonden. In zijn boek Altijd Mazzel, een wereldreis langs joodse gemeenschappen, noteert Maurice Swirc dat bijna iedere jood in Marokko de laatste of de enige is. De reisbureaus zullen het niet tegenspreken. Verlaten joodse wijken, leegstaande synagogen en vervallen joodse begraafplaatsen staan met stip in hun reisprogramma’s. De joden die na de laatste exodus achterbleven, worden opgevoerd als bezienswaardigheid. Zo probeerden gidsen in de Todra-kloof in de Hoge Atlas ons over te halen om ‘de laatste Berberjoden’ te ontmoeten.

Mohammed, onze chauffeur, vertelt dat jaarlijks duizenden bezoekers uit de VS, Canada, Brazilië, Frankrijk en vooral Israël naar Marokko komen om de plaatsen te bezoeken waar zij zelf of hun ouders en voorouders hebben gewoond. Hij zegt dat joodse bezoekers vaak hun afkomst verloochenen door zich uit te geven voor christenen – uit angst dat hun iets zal overkomen. Daar kunnen wij ons wel iets bij voorstellen, maar Mohammed bezweert dat ze nergens bang voor hoeven te zijn.

In een dorp bezichtigen we op een begraafplaats met vergruisde grafstenen een gloednieuwe synagoge en aula. „Allemaal gefinancierd door joden die hier vandaan kwamen”, meldt Mohammed. De Marokkaanse oppasser heft een pittige entreeprijs.

In ons hotel treffen we aan het ontbijt een echtpaar van onze leeftijd. Ze stellen zich voor als Simon en Mirjam. Het klikt meteen. Mohammed die ons komt ophalen, weet te vertellen dat het echtpaar joods is. „Ze spreken Engels, maar ze verstaan Arabisch”, zegt hij.

Op de toeristische plattegrond van de havenplaats Essaouira staan verschillende synagogen. Twee eeuwen geleden was bijna de helft van de bevolking hier joods. Moslims en joden woonden weliswaar in eigen wijken, maar leefden doorgaans in vrede.

We zoeken de Simon Attias-synagoge in de binnenstad. Jongelui die we de weg vragen begrijpen niet waar we het over hebben. Een ouder iemand brengt ons erheen. De ramen zijn dichtgespijkerd met blauw geverfde luiken. Op ons kloppen gaat de deur op een kier. We zien een uitgestoken gerimpelde hand en horen: „Cent dirham pour la restauration.” Op ‘Israël’ na is dat het enige wat we verstaan. De twee strompelende, in lompen gehulde grijsaards die ons binnenlaten mompelen een mengelmoes van Frans en Arabisch. We hebben geen toelichting nodig. Alles is duidelijk. Wat ooit een intieme sjoel moet zijn geweest, is een complete puinhoop. Het dak heeft het begeven, de verhoging met de lessenaar voor het uitrollen van de Thora is een vies slaaphol. Er smeult een houtvuurtje op de vloer. Hier valt niets meer te restaureren. De dirhams zijn de oude mannen gegund.

De synagoge van de beroemde achttiende-eeuwse wonderrabbijn Haïm Pinto, die pelgrims uit de hele wereld trekt, is gesloten. Eigenlijk is dat maar goed. We zijn nog aangeslagen door de aanblik van de puinhoop met zijn bewakers en door wat we op weg naar het gebedshuis van Haïm Pinto te zien kregen. De huizenblokken in de verlaten joodse wijk staan op instorten. Alsof er een bombardement heeft plaatsgevonden.

Op het dakterras van ons hotel zien we Simon en Mirjam weer. We vertellen van onze ervaringen. Mirjam onderbreekt ons: „Jullie zien er niet joods uit maar je zou haast denken dat je het wél bent, zo betrokken als jullie zijn.”

„En jullie?” vraagt Gerarda. Mirjam lacht: „Als jullie niets tegen die chauffeur van jullie zeggen, doen wij het ook niet.”

Vroeg of laat komt het goed, een bloemlezing uit de reisverhalen van Otto Holzhaus, is in mei verschenen bij Uitgeverij Hollandia.