Liberaal als een aal

Elke woensdag een filosofisch dilemma naar aanleiding van de actualiteit.

Vandaag: hoe sociaal-liberaal is het bezuinigen op de zwakkeren?

Mocht men er in Amerika niet uitkomen met het schuldenplafond, dan betekent dat dat uitkeringen vanaf 2 augustus simpelweg niet meer worden overgemaakt. Zo radicaal wil Mark Rutte nu ook weer niet bezuinigen, maar vorig jaar verscheen toenmalig lijsttrekker Rutte bij actualiteitenrubriek Netwerk. Aanleiding was een item dat nogal veel stof deed opwaaien: een econoom van universiteit Nyenrode had voor drie Nederlandse huishoudens uitgerekend wat het verkiezingsprogramma van de VVD voor hun portemonnee betekende. En jawel: twee van de drie huishoudens, die van de bijstandsmoeder en van het gezin met een verstandelijk gehandicapte dochter, zouden er bij de liberalen wat betreft besteedbaar inkomen op achteruit gaan. Slechts één huishouden ging er op vooruit, de ondernemer met een inkomen van zo’n twee ton op jaarbasis. Het hoofd van dit huishouden, Jan Willem Jansen, verwoordde de situatie als volgt: „Als ik er op vooruit ga […], dan moet mijn plus door de min van een ander gecompenseerd worden. En ik kan me niet voorstellen dat dat mensen zijn die meer verdienen dan ik.”

Zo verwoordde Jansen het probleem van een samenleving zoals dat door alle sociaal-politieke denkers wordt geconfronteerd: ‘Wat goed is voor mij, is niet altijd goed voor de ander.’ In het kapitalisme wordt ‘goed’ voor een groot gedeelte bepaald door onze koopkracht. Termen als geluk, vrijheid en vreugde zijn minder belangrijk dan arbeid en inkomsten, of er op zijn minst aan gekoppeld. Je koopt tegenwoordig vrijheid. Jansen zag de 1.800 euro die hij er op vooruit ging en zei: „Moet je je eens voorstellen wat je daar allemaal mee kunt doen.”

Of de berekeningen van Netwerk en Klein onjuist waren, zoals Rutte meende, was voor mij veel minder interessant dan het antwoord op dit onderliggende probleem dat hij terloops in de betreffende uitzending ‘plugde’: Rutte was niet alleen geschokt over de voorstelling van zaken van Netwerk omdat het cijferwerk onjuist was, maar vooral „omdat ik een partij leid”, zei hij, „die sociaal is.” De eerste liberale premier van Nederland in bijna honderd jaar sprak tijdens de voorbespreking van zijn premierschap over zijn partij als een ‘sociale partij’.

Het liberalisme is een politieke stroming die als basisbeginsel de vrijheid van het individu eert. De 19e-eeuwse filosoof en oerliberaal John Stuart Mill verwoordde dit in The Principles of Political Economy (1848) als volgt: ‘Welke theorie we ook aanhangen over de grondslagen van de samenleving, onder welke politieke constellatie we ook leven, er bestaat altijd een kring rondom elk individu waar geen enkele regering, of die nu van een monarch, van weinig of van velen is, toegelaten zou mogen worden.’ Mill sprak hier over de vrijheid van de burger om zelf te kunnen kiezen, en over het domein vrij te kunnen denken en bewegen. Deze vrijheid hoeft verdere politiek-sociale opvattingen niet uit te sluiten.

Vrij zijn begint in eerste instantie in een gezond, zorgeloos lichaam. Maar hoe wij geboren worden, zo is me na de boeken Wij zijn ons brein van Dick Swaab en De appel en de boom van René Kahn wel duidelijk, is niet volledig aan ons. Veel is ‘geluk’, toeval: genen, omgeving, opvoeding, een goed geheugen. De werkelijke sociale liberaal erkent dit en streeft binnen deze grenzen zo veel mogelijk vrijheid na voor het individu. Ook voor hen die wat minder geluk hebben gehad.

Mensen zijn geneigd in groepen te leven. Groepen die met elkaar in contact komen in een nog grotere groep, de samenleving genoemd. In ons geval: een democratische, vrijemarkteconomie. Met wat laatste kenmerken van het Christendom en de naoorlogse welvaartsstaat. Sociaal zijn betekent hier soms nog: goed zijn voor de ander.

Arthur Schopenhauer, een Duitse filosoof uit de 19e eeuw, schreef over de invulling van ‘goed’ het volgende: behulpzaamheid, vriendelijkheid en liefdadigheid worden goed genoemd omdat ze ons gedrag in relatie met dat van een ander brengen. Wat goed is voor jou, is wat ‘ik’ doe: behulpzaam zijn, me vriendelijk gedragen, liefdadigheid bedrijven. Goed valt dus ook te definiëren als iets dat ‘ik’ voor een ander ‘doe’. Of, zoals Jan Willem Jansen in Netwerk zei: „Ik ga dan niet op de VVD stemmen, want ik hoef niet 1.800 euro meer” ten koste van een ander. Jansen had het immers al heel goed voor mekaar.

Jansens opvatting komt zo in de buurt van compassie, medelijden: betrokkenheid bij het leed van anderen. Met deze houding zet de Hollandse ondernemer zich af tegen het gedachtegoed van die andere 19e eeuwse, Duitse filosoof, Friedrich Nietzsche, die verzet tegen compassie en een ‘wil tot macht’ voorstaat: een sterk mens is een mens die neemt wat voor hem goed is. De 1.800 euro.

Swaabs bestseller is niet onomstreden, maar het lijkt mij boven twijfel verheven dat veel van de factoren die de koers van ons leven en onze vrijheid bepalen – gezondheid, intelligentie, afkomst – niet onze verdienste zijn, maar een geschenk. Goed is niet enkel wat jij kunt doen voor jezelf, maar ook wat je voor een ander kunt doen – en wat de ander daardoor zelf kan doen. Voor Mill gaat het er om dat er in ieders leven een domein is waarbinnen de individualiteit van die persoon ‘zonder enige last of ruggenspraak dient te kunnen heersen, niet gehinderd door de controle door enig ander individu of enig collectief. Dat zo’n afgeschermd en onaantastbaar privédomein bestaat, of zou moeten bestaan, in het leven, zal niemand in twijfel trekken die ook maar de geringste eerbied heeft voor de menselijke vrijheid of de menselijke waardigheid.’

Eerlijk is eerlijk: de zwaarst gehandicapten, de mensen die ook in een verzorgingstehuis zouden zitten, gaan er ook onder deze regering niet op achteruit. In plaats van daadwerkelijk naar een verzorgingstehuis te gaan, kunnen zij ervoor kiezen hun zorg thuis in te kopen. Maar de iets minder gehandicapten, afhankelijk van de staat, die leveren hun vrijheid in. Die moeten zich conformeren aan de dwang van de andere ‘ik’.

Als ik adviseur van Rutte zou zijn, zou ik benadrukken dat een werkelijke sociale liberaal net zo veel vrijheid voor een twintigjarige jongen in Friesland wenst, als voor een student in Amsterdam. Ook als die jongen in Friesland een verstandelijke beperking heeft en op een werkplek werkt waar geld bij moet. Ook als het betekent dat die jongen onder – betaalde – begeleiding boodschappen moet doen, bustabellen leert lezen, sociale contacten legt. Ook als de ouders van die jongen dat zouden kunnen doen, naast hun beider banen. Want ook voor de ouders van deze jongen geldt dat het goed is voor hen die het goed hebben getroffen ze wat vrijheid te schenken. Zo is de jongen ook nog eens niet van één iemand afhankelijk voor zijn begeleiding, maar kan hij zelf bepalen wat hij wanneer nodig heeft. Dat is vrijheid.

Als ik de adviseur van premier Rutte zou zijn, zou ik zeggen dat bezuinigen op de zwakkeren sociaal noch liberaal is. En dat verantwoordelijkheid erkennen verantwoordelijkheid nemen inhoudt. Al het andere is hypocrisie. En ik wil niet dat die fascinatie nog langer wordt gevoed.