'Echt contact maken met Afrikanen is heel lastig'

Regisseur Ulrich Köhler ontving de Zilveren Beer van het filmfestival van Berlijn voor ‘Schlafkrankheit’. „Ik had grote aarzelingen of ik de film zou kunnen maken.”

Ulrich Köhler, regisseur van de film Schlafkrankheit (2011) FOTO: Wild Bunch

In Schlafkrankheit moet tropenarts Ebbo (prachtige rol van Pierre Bokma) kiezen tussen teruggaan naar Europa met zijn gezin, of achterblijven in Kameroen, waarmee hij is vergroeid. Zijn leven kruist dat van een andere arts, Alex (Jean-Christophe Folly) die een rapport moet schrijven over het programma tegen slaapziekte dat Ebbo bestiert. Schlafkrankheit is de derde film van regisseur Ulrich Köhler die als kind in het toenmalige Zaïre woonde.

Keert u met deze film terug naar het Afrika van uw jeugd?

„Tussen mijn vierde en negende heb ik in Zaïre gewoond. Mijn vader was daar arts, mijn moeder lerares. Ik heb daar een gelukkige jeugd gehad, sprak het lokale dialect. Maar wat me echt aan het denken zette en wat uiteindelijk tot deze film heeft geleid, waren niet zozeer die jeugdherinneringen, maar een latere periode, toen mijn ouders zijn teruggegaan naar Afrika. Ik was toen zelf al volwassen. Toen ik mijn ouders ging opzoeken, heb ik veel expats ontmoet die wel iets weg hebben van Ebbo, de arts in de film. Dat leek me een interessante wereld voor een film, maar ik heb meer dan tien jaar met het idee rondgelopen, ik had grote aarzelingen of ik de film wel moest maken.”

Waarom?

„Ik was bang dat het toch weer een neokoloniale film zou worden. De meeste westerse films die ik heb gezien over Afrika komen helemaal niet overeen met Afrika zoals ik het waarneem. Afrika is óf een grote poel van ellende, óf er ontstaat een heel erg geromantiseerd beeld, met veel natuurschoon en zonsondergangen. In mijn ervaring is de Afrikaanse werkelijkheid veel alledaagser, veel banaler. Mensen zoals mijn ouders gaan naar Afrika uit idealisme, en uit een hang naar avontuur. Maar als ze daar zijn komen ze vaak in een heel beperkte wereld terecht, waarin ze voornamelijk contact hebben met andere expats. De afstand tot de echte bevolking valt vaak helemaal niet te overbruggen, door de enorme culturele en economische afstand die er bestaat. Dat kan een heel saai leven zijn. Dat was de wereld die ik wilde laten zien.”

Tegelijk maakt u ook gebruik van het heel klassiek beeld van de westerling die zichzelf helemaal verliest in Afrika, zoals ook gebeurt in ‘Heart of Darkness’ van Joseph Conrad.

„Ja, zeker in de tweede helft van de film. Voor mij was de interessante variatie op dat thema om te vertrekken vanuit een heel alledaags beeld van Afrika, om uiteindelijk bij zo’n klassiek beeld uit te komen, bij een personage dat zich in een vergelijkbare situatie bevindt als Kurtz bij Conrad.”

Uw film begint en eindigt met nachtbeelden. Neemt u daarmee het cliché van donker Afrika op de hak?

„Dat is onderdeel van hetzelfde spel met het genre van Afrikafilms. Maar er zit ook psychologische waarheid in. Er zijn echt mensen zoals Ebbo, die verscheurd raken door de enorme culturele verschillen, die problemen krijgen met hun identiteit, omdat ze zo ver verwijderd zijn geraakt van hun eigen herkomst.”

Al uw films tot nu toe gaan over mensen die plotseling alles achterlaten, die als het ware deserteren uit hun eigen leven.

„Ja. Wat mij interesseert is wat er gebeurt als mensen vraagtekens beginnen te plaatsen bij sociale normen. Het besluit van Ebbo om in Afrika te blijven, is eigenlijk een heel passieve keuze, meer dan een actieve daad. Juist de beslissing om iets niet doen, kan de meest radicale keuze zijn.”

Bij de première in Berlijn omschreef u ‘Schlafkrankheit’ als ‘eurocentrisch’. Die term wordt meestal kritisch gebruikt.

„Dat is volgens mij onvermijdelijk. Het is onmogelijk om je eigen perspectief te verlaten. Daarom kun je dat perspectief maar beter omarmen. Eurocentrisme is pas bezwaarlijk als je dat zou proberen te verhullen. Om die reden heb ik een groot probleem als ik romans lees van Hennig Mankell over arme kinderen in Mozambique. Voor mij werkt dat niet.”

Uw meest eurocentrische personage, Alex, is een zwarte man, die geboren en getogen is in Frankrijk.

„Dat is het personage dat het dichtst bij mijzelf staat. Ik vond het belangrijk om te laten zien dat de vervreemding die kan ontstaan als je een wereld betreedt die je helemaal niet kent, niets te maken heeft met huidskleur, maar uitsluitend met hoe je bent opgegroeid en hoe dat je heeft gevormd.”

Is dit uw meest persoonlijke film tot nu toe?

„Dat weet ik niet. Ik maak de films, ik kan er niet over oordelen. Dit is in ieder geval de meest ingewikkelde film die ik tot nu toe heb gemaakt, waarbij ik de meeste obstakels ben tegengekomen. Afrika vormde een obstakel, de verschillende talen die we moesten gebruiken waren lastig, de complexiteit van het thema was ook zo’n obstakel.

„Van nature ben ik een enorme controlfreak. Ik wil dat niet zijn, maar ik ben het wel. Maar door al de obstakels was dit de film waar ik de minste controle over had. Tegelijkertijd is het juist daardoor misschien wel een meer persoonlijke film geworden.”