Discussie wijkt uit naar de bioscoop in Iran

Twee films, de een vóór het regime, de ander kritisch, wedijveren in Iran om de steun van het publiek. De Iraanse discussie is verplaatst naar de bioscoop.

In Iran mijden de kranten de echt controversiële onderwerpen, worden meer en meer websites geblokkeerd en blijven anti-regeringsdemonstraties illegaal. Maar voor Iraanse cinema geldt dat niet.

Twee films in lokale bioscopen zijn een graadmeter geworden in de populariteitswedstrijd tussen aanhangers en tegenstanders van de regering.

Een van de films, geregisseerd door een aanhanger van het regime, maakt de tegenstanders van president Ahmadinejad belachelijk. De andere laat zien hoe gecompliceerd het leven van Teherans invloedrijke middenklasse is geworden, die grotendeels de oppositie steunt.

‘Ekhrajiha 3’ (verschoppelingen) van regisseur Masoud Dehnamaki heeft tot nu toe ongeveer voor 3,5 miljoen euro aan bioscoopkaartjes opgeleverd. De film gaat over een groep oorlogsveteranen die de roem die ze aan het front hebben vergaard, proberen om te zetten in politieke munt. Twee van de meest ambitieuze kandidaten liegen, bedriegen en organiseren zelfs illegale dansfeesten om het hart van de jeugd te winnen.

Nergens in de film worden de echte tegenstanders van president Ahmadinejad in de verkiezingen van 2009 genoemd. Maar activisten zeggen dat het geen toeval is dat de twee opportunistische kandidaten kopieën zijn van het beeld dat de regering graag schetst van de presidentskandidaten Mir Hossein Mousavi en Mehdi Karroubi.

De twee mannen werden voormannen van de ‘Groene’ oppositiebeweging die maandenlang demonstreerde tegen Ahmadinejads verkiezingsoverwinning. Beiden zitten al meer dan vier maanden in huisarrest. De oppositie heeft nu opgeroepen de film te boycotten.

In zijn kantoor, versierd met landmijnen, artilleriehulzen en andere oorlogssouvenirs, zegt de bebaarde oorlogsveteraan Dehnamaki dat hij geen overeenkomsten ziet tussen de hoofdrolspelers van zijn film en de echte kandidaten. „Mijn film waarschuwt tegen verkeerde methoden van democratie en verkiezingscampagnes”, zegt hij. ‘De Verschoppelingen’ richt zich op „concepten” en niet op echte mensen, zegt hij.

Ook al zegt Dehnamaki dat hij een onafhankelijke artiest is, hij heeft warme banden met de autoriteiten. Zijn film is uitgebreid aangeprezen op de staatstelevisie en hij mocht massascenes van politiek protest filmen in het centrum van Teheran. Vele voorbijgangers verwarden de opnames met echte demonstraties.

Dehnamaki wordt vaak geconfronteerd met de beschuldiging dat hij een vooraanstaand lid was van de Ansar-e Hezbollah militie, die al decennialang ieder protest tegen de islamitische republiek met stokken en kettingen de kop indrukt. Hij ontkent dat. „Ik was een journalist voor de groep, maar geen deelnemend lid, laat staan een leider”, zegt hij nu.

Maar het zijn de oproepen tot een boycot van zijn film die hij het vervelendst vindt. „Dezelfde mensen die altijd tolerantie en mensenrechten preken, nodigen nu de mensen uit tot een culturele boycot”, zegt hij. „Ze hebben een oneerlijke competitie met de andere film gecreëerd.”

Die ‘andere film’ is ‘Jodaeye Nader Az Simin’ (Nader en Simin, een verwijdering) van regisseur Asgar Farhadi, die tot dusverre 1,5 miljoen euro heeft opgebracht maar in minder bioscopen te zien is. De film, die vanaf 1 augustus in Nederland draait, heeft diverse internationale prijzen gewonnen, waaronder de hoogste onderscheiding bij de filmfestivals van Berlijn, Sydney en Moskou.

Het drama gaat over de toenemende problemen van een middenklasse-stel van rond de 40 in Teheran die in scheiding liggen. Voor degenen die in 2009 tegen de regering demonstreerden, is de film een weergave van de dagelijkse leugentjes waaraan ze zich moeten bezondigen om de klemmende traditionele regels en wetten te overleven.

Critici hebben Farhadi ervan beschuldigd een duister beeld van de samenleving te schetsen. Hij staat dan ook onder druk van de staat. Tijdens de opnames voor de film werden zijn vergunningen vorig jaar tijdelijk ingetrokken door het ministerie van Cultuur en Islamitische Leiding. Pro-regeringsmedia beschuldigen hem ervan zich in een toespraak in Parijs uit voor de oppositiebeweging te hebben uitgesproken. Ondanks zijn problemen won de film dit jaar de hoogste Iraanse filmprijs, de gouden Simorg.

Farhadi, slank, ringbaardje, ontkent niet dat hij de eisen tot grotere vrijheid steunt, maar hij wil daarover nu niet in detail spreken.

In zijn sobere kantoor, met de dikke gordijnen gesloten, legt Farhadi uit dat Iran een grote paradox is, met twee groepen, de een traditioneel, de ander modern, die constant strijden over onderwerpen zoals moraliteit, religie en politiek. „Onze samenleving is als een kind dat langzaam volwassen wordt”, zegt hij. „Dingen veranderen naarmate het opgroeit.”

Hij beseft dat hij met zijn succesvolle collega Masoud Dehnamaki wordt vergeleken en benadrukt dat hij geen antwoorden wil geven op die problemen, maar juist zijn publiek zich vragen wil laten stellen. „Want dat is wat er nodig is in de Iraanse maatschappij: meer nadenken.”

In zijn films liegen mensen vaak om zichzelf te beschermen. „We moeten wel geheimen bewaren, om te overleven in Iran”, zegt hij. „Deze leugens zijn onze gereedschappen om een relatieve rust in de samenleving te bewaren.”

Farhadi zegt dat hij fel tegen een boycot van Dehnamaki’s film is. „Maar geloof me”, zegt hij, „Als mensen vrij hun mening konden uiten in Iran zou niemand hier voor een boycot kiezen.”